Boekgegevens
Titel: De bloemlezing uit Nederlandsche prozaschrijvers
Deel: 6e stuk Van C.E. van Koetsveld tot A.S.C. Wallis / verz. door J. ten Brink
Auteur: Kampen, Nicolaas Godfried van; Veegens, Daniel; Brink, Jan ten
Uitgave: Amsterdam: P.N. van Kampen & zoon, 1882
Auteursrechten: Zie auteursrechten
Citeerinstructie: Bijzondere Collecties van de Universiteit van Amsterdam, UBM: IWO 1091 J 11 (6)
URL: https://schoolmuseum.uba.uva.nl/bookid/LCSM_203664
Bekijk als:      
Scan: Afbeeldinggrootte:
   De bloemlezing uit Nederlandsche prozaschrijvers
Vorige scan Volgende scanScanned page
13
Luizen omgeven. Het trof mij, op dit liooge punt van den
berg een christelijk bedehuis te ontmoeten, waar de ver-
strooide Alpbewoners zich de vertroostingen hunner gods-
dienst bcy'eid zagen. Hoe liefelijk en rustig blonk dat
eenvoudige Klösterli, te midden van het amphitheater der
bergen , en wat stak de doodelijke rust, die er heerschte,
veelbeteekenend af tegenover de onrust der talrijke reizi-
gers! Gewis, op een ander oogenblik zou ik gehoor ge-
geven hebben aan een' onwillekeurigen drang van mijn
hart, om mij hier eene wijle neêr te zetten en den vrijen
loop aan mijne gedachten te laten. Maar hadden wij nog
niet ruim 1700 voeten te stijgen , om den Rigikulm te be-
treden ? En reeds begon de middagzon zich ter westerkim
henen te neigen, en wij moesten voor zonnenondergang
boven zijn ! Want, wat ook in het reisplan een oogenblik:
onbeslist mögt gebleven zijn , een zonnenonder- en opgang
op den Eigi te aanschouwen , ziedaar wat van den beginne
at onbewegelijk vast had gestaan, Hoe had het uitzigt mij
tot dusver de vermoeijenia der reis doen vergeten! Eeeds
had ik mij zeiven in mijne verbeelding gezien , staande op
die reusachtige hoogte, terwijl de sterren verbleeken, en
een lichtstreep in het oosten verrijst, en het magtwoord
„daar zij licht" als bij vernieuwing over de wereld aan ^
mijne voeten zou mischen — daar zinkt het licht onzer
hoop nog veel vroeger dan het zonnelicht weg ! Wel lig-
gen aan onze voeten bergen en dalen, en zoover wij ze
nog ondersch*eiden kunnen , ook kerken en huizen in den
heldersten zonneglans, maar — wat vertoont zich boven
gindschen top, die ons wacht? Ach, het is alsof de Pilatus
zijn nevelkap aan den Eigi heeft afgestaan. Een digte
wolkenkolos trekt zich zigtbaar om de hoogte te zamen en
begint zich reeds op te lossen in enkele waterdroppelen.
Wel bereiken wij spoedig den Staffel, maar de gidsen
schudden onheilspellend het hoofd. Wel leggen wij zonder
uitstel het laatste deel af van den weg, dat ons naar het
Xulmhaus moet voeren , maar het is ook in het Kulmhaus
niet beter. Daar buiten onrustig gewoel, maar nergens
een vrolijk gelaat. Daar binnen een knappende haard,
maar nergens een zweem van een zonnestraal. Daar boven
een Observatorium wachtende , maar daar beneden volstrekt
niets te observeren, dan wolken. Alleen des avonds , toen
de meer luidruchtige dan gezellige disch de teleurstelling,
voor zooveel het avondtooneel betreft, een wijle vergeten
deed, een onweder, met felle bliksemschichten gepaard.