Boekgegevens
Titel: De bloemlezing uit Nederlandsche prozaschrijvers
Deel: 6e stuk Van C.E. van Koetsveld tot A.S.C. Wallis / verz. door J. ten Brink
Auteur: Kampen, Nicolaas Godfried van; Veegens, Daniel; Brink, Jan ten
Uitgave: Amsterdam: P.N. van Kampen & zoon, 1882
Auteursrechten: Zie auteursrechten
Citeerinstructie: Bijzondere Collecties van de Universiteit van Amsterdam, UBM: IWO 1091 J 11 (6)
URL: https://schoolmuseum.uba.uva.nl/bookid/LCSM_203664
Bekijk als:      
Scan: Afbeeldinggrootte:
   De bloemlezing uit Nederlandsche prozaschrijvers
Vorige scan Volgende scanScanned page
(
dergestormd, en fluisterde bij mij zelf: „indien thans . . .
Maar tevens kwam mij voor den geest, hoe hier de natuur
zelve als het ware den sleutel aanbiedt tot twee plaatsen
der Schrift, tallooze malen oratorisch en oneigenlijk over-
genomen, en hier toch letterlijk bewaarheid geworden. Ik
dacht aan de profetische toezegging des O. V.: „bergen
zullen wijken en heuvelen wankelen, maar*' — doch gij
kent het vertroostend vervolg. Hier bleek het mij, die
aanhef is geen aanduiding van eene volstrekte onmogelijk-
heid , maar van een, God weet hoe ontzettende mogelijk-
heid, en te meer voelde ik de schoonheid der tegenstelling
van wat maar al te zeker gebeuren kan, tegen wat volstrekt
en in ieder geval onwankelbaar is. Ik dacht tevens aan
die ontzettende voorstelling van Gods oordeelen in het
N. V.: „alsdan zullen zij beginnen te zeggen tot de bergen :
„valt op onsen tot de heuvelen: „bedekt ons." Men
moet op het bergpuin te Goldau gestaan hebben , om het
zich eenigszins voor te stellen, hoe vreeselijk de wanhoop
moet zijn, die zulk een verpletterende slag van een instor-
tenden berg, gelijk dezen, als redmiddel tegen nóg erger
onheil kan inroepen!
En toch, alsof dezelfde ramp zich nimmer herhalen kon,
stond thans een nieuw Goldau op de onkenbare plaats van
het oude, en zorgeloos ging de menigte voort over het
reusachtige graf van het verpletterde voorgeslacht. Kan het
ook zijn, dat in een wonderland als dit, de reiziger wat
al te spoedig gewoon wordt aan magtige aandoeningen,
en eindelijk tot zekere hoogte leert, zich over niets te ver-
wonderen P Wij althans waren naauwelijks in de nabijheid
der nieuwgebouwde kerk over de brug van de Aa gegaan ,
of al onze opmerkzaamheid vestigde zich weder op de nieuwe
wereld, die boven dit veld des doods was ontloken. Euimer
en breeder werd het tooneel, dat ons omringde, bij iedere
schrede vooruit. Weldra hadden wij het eerste rustpunt
op de Eigireize, zum untern Diichli, 2935 voeten boven
den waterspiegel, bereikt, waar ons verkwikking en ver-
sterking bereid was. Hier vangen de veertien statiën van
den lijdensweg aan, die den vromen pelgrim der lioomsche
kerk de gelegenheid geven. om neêrgebogen voor een kun-
stelooze beeldtenis of schilderij, den gekruisigden Heer te
gedenken. Elke statie is ongeveer honderd voeten boven
den anderen opgerigt: aan de laatste grenst de kleine berg-
kapel van Maria ter sneeuw, op eene hoogte van ruim
4000 voeten, door een kapucijner klooster en eenige weinige