Boekgegevens
Titel: De bloemlezing uit Nederlandsche prozaschrijvers
Deel: 6e stuk Van C.E. van Koetsveld tot A.S.C. Wallis / verz. door J. ten Brink
Auteur: Kampen, Nicolaas Godfried van; Veegens, Daniel; Brink, Jan ten
Uitgave: Amsterdam: P.N. van Kampen & zoon, 1882
Auteursrechten: Zie auteursrechten
Citeerinstructie: Bijzondere Collecties van de Universiteit van Amsterdam, UBM: IWO 1091 J 11 (6)
URL: https://schoolmuseum.uba.uva.nl/bookid/LCSM_203664
Bekijk als:      
Scan: Afbeeldinggrootte:
   De bloemlezing uit Nederlandsche prozaschrijvers
Vorige scan Volgende scanScanned page
11
in een donkere grot, en wee den vermetele, die een steentje
in het meer, dat zijn graf werd, zou neerwerpen ! Er is
niets meer noodig om hem tot felle wrake te tergen , die
ziüh weldra in de geduchtste natuurverschgnselen lucht
geeft. Onweder en overstroomingen zijn het werk zijner
woede: 't is reeds veel gewaagd, op den naar hem genoem-
den bergtop te stijgen. In vroeger eeuw — zoo verhaalde
men mij — niogt het slechts onder speciale vergunning van
de heeren der regering geschieden , en die vergunning werd
alleen onder voorwaarde van eerbiedige behandeling en
ontwijking der waterkom van den Pilatus verleend. Meer
nog dan over die bijgeloovige vrees was ik over het ver-
schijnsel verwonderd, dat men het tooneel van de laatste
oogenblikken des landvoogds zoover van het oord der ver-
banning geplaatst had, en betreurde onwillekeurig, dat ik
hier de gelegenheid miste om de overlevering op hare
vroegste sporen te volgen.
Maar „welkom te Arth klonk de kreet mijner reisge-
nooten, en riep mij op eenmaal tot het tegenwoordige en
zijne bestemming terug. Het verdiende te meer mijne aan-
dacht, omdat wij waarlijk niet tot den Eigi behoefden te
wachten, om merkwaardige tooneelen te zien. De weg
toch liep tot Goldau, en den naam van Goldau kan men
in deze streken niet noemen, zonder dat men van de ver-
woesting hoort spreken , voor ruim veertig jaren door de
instorting van een deel des Kuffibergs te weeg gebragt in
het bloeijende dal. Mij greep eene huivering aan bij het
denkbeeld, dat onder den ongelijken bodem waarop ik
voortreed, vier dorpen met meer dan 450 menschen begra-
ven waren. Welk een oogenblik, toen die Alpbewoners
rindschen berg het eerst hoorden scheuren en kraken, en
Diddend in hun heiligdom vlugtten, om weinige minuten
daarna verpletterd te worden met de altaren , waarbij zij
eene vrijplaats gezocht hadden! "Welk een oogenblik, toen
een vrolijk bruiloftsgezang, waarmede de Pigi bestegen
werd, op eenmaal verstomde voor den dood, die de feeste-
lijke schaar overviel! En welk een oogenblik wederom,
toen een driehonderdtal veehoeders, aan den avond van
eene afgelegene weide wedergekeerd, evenmin de plaats
vond, die zij des morgens verlieten, als de dierbaarste be-
trekkingen , waaraan hun harte verkleefd was! Nog ont-
dekt men overal het spoor der verwoesting, verder dan een
uur in het ronde. Onwillekeurig sloeg ik het oog naar
den onregelmatigen top, waarvan zooveel jammer was ne-