Boekgegevens
Titel: De bloemlezing uit Nederlandsche prozaschrijvers
Deel: 6e stuk Van C.E. van Koetsveld tot A.S.C. Wallis / verz. door J. ten Brink
Auteur: Kampen, Nicolaas Godfried van; Veegens, Daniel; Brink, Jan ten
Uitgave: Amsterdam: P.N. van Kampen & zoon, 1882
Auteursrechten: Zie auteursrechten
Citeerinstructie: Bijzondere Collecties van de Universiteit van Amsterdam, UBM: IWO 1091 J 11 (6)
URL: https://schoolmuseum.uba.uva.nl/bookid/LCSM_203664
Bekijk als:      
Scan: Afbeeldinggrootte:
   De bloemlezing uit Nederlandsche prozaschrijvers
Vorige scan Volgende scanScanned page
9
cher's troepen daaraan een werkzaam deel hadden kunnen
nemen. Die bewering is waar; maar zij zou diin alleen
iets tegen Napoleons beleid bewijzen, wanneer hij op die
medewerking aev Pruissen had gerekend. Maar het tegen-
deel blijkt uit alles; het blijkt uit alles, dat Napoleon
gemeend heeft, dat Blücher door de nederlaag bij Ligny
voor geruimen tijd buiten werking was gesteld; dat van
de Pruissen in de eerste dagen niets meer viel te vreezen ;
en dat men te Waterloo alleen tegen Wellington's leger-
magt had te kampen; en, dit aannemende, was er geene
enkele reden om het oogenblik van den aanval te ver-
vroegen. Wil men Napoleon's handelingen te Waterloo-
met juistheid beoordeelen, dan moet men altijd uitgaan
van die stelling, dat de fransche keizer volstrekt niet ge-
loofde aan de medewerking, daar, van Blücher's leger-
corpsen ; dit was een dwaalbegrip, dat de oorzaak van
zijne nederlaag is geweest; daardoor echter laten zich zijne
handelingen niet alleen verklaren , maar, dit aannemende,
kan men zelfs overtuigend aantoonen, dat die handelingen
goed en meesterlijk zijn geweest.
(Uit Quatre'Bras en Waterloop
J. J. VAN OOSTERZEE.
Ojp Reis in Zwitserland,
Een volle stoomboot had ons over het Zürichermeer naar
Horgen gevoerd. Het was, als riep geheel de ontwaakte
schepping tot dankbaar genieten ons op, en hoe meer in
het gindsche verschiet de wonderen der bergwereld zich
voor onze blikken ontzwachtelden, des te hooger werd de
verwachting op tooneelen gespannen, waarvan de meest
bevoegde beoordeelaar, A. van Humboldt, verzekert: „dat
geen Chimborasso, geen Cotapari of andere bergen van
Amerika in verheven schoonheid daarnevens geplaatst kun-
nen worden." „Ja waarlijk, riep ik uit, hier is een aardsch
Paradijs, en klaarder dan deze meerspiegel kunnen de
wateren der vier rivieren rondom Eden naauwelijks geweest
zijn!" Was het om mij te herinneren, hoe het Paradijs