Boekgegevens
Titel: De bloemlezing uit Nederlandsche prozaschrijvers
Deel: 6e stuk Van C.E. van Koetsveld tot A.S.C. Wallis / verz. door J. ten Brink
Auteur: Kampen, Nicolaas Godfried van; Veegens, Daniel; Brink, Jan ten
Uitgave: Amsterdam: P.N. van Kampen & zoon, 1882
Auteursrechten: Zie auteursrechten
Citeerinstructie: Bijzondere Collecties van de Universiteit van Amsterdam, UBM: IWO 1091 J 11 (6)
URL: https://schoolmuseum.uba.uva.nl/bookid/LCSM_203664
Bekijk als:      
Scan: Afbeeldinggrootte:
   De bloemlezing uit Nederlandsche prozaschrijvers
Vorige scan Volgende scanScanned page
130
oor verkwikken. Een triomfeeren de kreet begroette zijn val,
maar lang hield men zich niet op , er was veel te doen als
men in éénen nacht het werk vernielen wilde, dat honderden
van handen in jaren verricht hadden. Hoeveel reeds was
nog aan het hoofdaltaar te ontheiligen! Het met goud
geborduurde kleed schitterde nog even in al zijn pracht,
dan dekte het, ruw vaneen gescheurd, de naakte schouders
eener woeste deerne, die zich het met diamanten gesierde
snoer der heilige maagd in de verwarde haren wond. Overal
waar er fakkels opdaagden, beschenen zij gedaanten , die
de altaarkleeden en misgewaden over hun gescheurde ,
havelooze plunje wierpen, en zoo in de stool der priesters
tegen de kerk woedden. wier gewaad zij droegen. Ieder
vernielde op eigen hand, niemand dacht aan het vormen
van een plan , gelijk ook niemand met de vernielde voor-
werpen zijn buit trachtte te maken. De kostbaarste klei-
noodien waren vrij in de armste handen gegeven, maar
waar men diamanten en gouden sieraden niet vertrapte,
daar wierp men ze achteloos weg, of wel bracht ze na
afloop der verwoesting bij de Protestantsche leeraars, die
ze terstond aan de overheid teruggaven, en daardoor nog
verscheidene zaken van waarde redden. Men verwoestte ,
maar men roofde niet; die zwijgende overeenkomst werd
door niemand geschonden, zelfs niet toen de nachtmaals-
wijn aller gemoederen nog meer had verhit. Terwijl de
beker rondging, hieven enkele stemmen den kreet van:
leven de Geuzen! aan; maar die klank , door zoo weinigen
voortgebracht, was in het holle gewelf te akelig om bijval
te vinden. Hij scheen meer een angst- dan een jubelkreet,
zooals de echo hem uit iederen donkeren hoek schel en
wanluidend herhaalde, zooals het gedruisch der van alle
kanten neerplofi'ende steenbrokken hem verzelde, want door
de hamerslagen losgemaakt vlogen overal gedeelten van het
muurwerk naar beneden en bedekten den grond met hun
puin. Het scheen een wonder, dat niet all en verpletterd
werden, want niemand ontzag zich, maar ondanks ieders
vermetelheid, ondanks de duisternis, bekwam geen der
razenden letsel, of werd door den huiveringwekkenden
aanblik, dien zij overal, waar de roode gloed van hun
toortsen straalde, moesten aanschouwen, in 't minst tot
nadenken gebracht. Vier iiren duurde de verwoesting,
dan snelden zij nog met dezelfde drift verder, om het werk,
in de hoofdkerk begonnen , door de geheele stad te vol-
tooien. De koele nachtlucht woei om hun gloeiende hoof-