Boekgegevens
Titel: De bloemlezing uit Nederlandsche prozaschrijvers
Deel: 6e stuk Van C.E. van Koetsveld tot A.S.C. Wallis / verz. door J. ten Brink
Auteur: Kampen, Nicolaas Godfried van; Veegens, Daniel; Brink, Jan ten
Uitgave: Amsterdam: P.N. van Kampen & zoon, 1882
Auteursrechten: Zie auteursrechten
Citeerinstructie: Bijzondere Collecties van de Universiteit van Amsterdam, UBM: IWO 1091 J 11 (6)
URL: https://schoolmuseum.uba.uva.nl/bookid/LCSM_203664
Bekijk als:      
Scan: Afbeeldinggrootte:
   De bloemlezing uit Nederlandsche prozaschrijvers
Vorige scan Volgende scanScanned page
129
gewelfde gangen bewogen of tot een gebed neerknielden,
en rruchteloos de oogen poogden te sluiten, die telkens
angstig werden opgeslagen, als zij meenden de beeldstormers
te zien binnendringen. Er rustte zulk een indruk van
zwijgen en plechtigheid over het geheel, dat zelfs dezen
eenige minuten onthutst bleven staan. De duisternis werkte
ontmoedigend op hen, want zij koesterden de schrikach-
tigheid van een boos opzet. Met de pracht van een rijk-
dom voor oogen, die alleen vijanden omgaf, bij het licht
van den dag, dat alles veel uittartender schijnen deed, en
hun tegenstanders vóór zich, met den onbewogen blik,
den wreeden lach, dien zij bij de terechtstellingen hunner
geloofsgenooten hadden leeren kennen, zóó zou hun de
arbeid, dien zij volbrengen wilden, gemakkelijk gevallen
zijn, zij zouden in dezen tempel het huis der vervolgers
gezien hebben, — thans zagen zij daarin het huis Gods.
Had zich nu een krachtige stem tot afwering doen hooren ,
nog zou alles voorkomen zijn, maar men liet hen vrij, en
lang duurde die besluiteloosheid niet.
„Ziet eens, hoe bang die dappere ketterjagers geworden
zijn!" klonk het spottend, en eenige ruwe grappen ver-
stoorden eiken indruk der verheven kerk. Men herin-
nerde elkander aan de wreedheden, door het geloofsgericht
in Antwerpen gepleegd, de gemoederen kwamen weer in
beweging, en het Mariabeeld stortte onder een zwaren
hamerslag ineen. Thans was de woeste geest der vernieling
ontboeid. Wat Katholiek was verliet de kerk ; de schout,
na eenige gemoedelijke reden tot de plunderaars, die met luid
gelach beantwoord werden, vond goed het voorbeeld der
gemeente te volgen, de hoofddeuren werden gesloten en
de muiters bevonden zich alleen.
Hun aantal beliep nog geen honderd, waarvan slechts
de helft toortsen droeg; in het ruime gebouw verdwenen
ze bijna temidden der duisternis; doch al konden zij elkan-
der nauwelijks onderscheiden, er was geen voorwerp ter
vernieling geschikt, of hun oogen bemerkten het. Spook-
achtig rees dan hier dan daar een roode fakkel op, snel
flikkerde haar schijn over de grijze muren, een kostbare
schilderij toonde nog ééns haar bewonderde lijnen, dan
hing ze aan flarden gesneden van den wand neer , en de
toorts ging verder om haar licht over het wereldberoemde
orgel te werpen , dat Antwerpens sieraad was. Nog prijkte
het daar als heerlijk kunstwerk, eenige woeste slagen, —
en geen zijner welluidende tonen zou meer een luisterend
YI. 9