Boekgegevens
Titel: De bloemlezing uit Nederlandsche prozaschrijvers
Deel: 6e stuk Van C.E. van Koetsveld tot A.S.C. Wallis / verz. door J. ten Brink
Auteur: Kampen, Nicolaas Godfried van; Veegens, Daniel; Brink, Jan ten
Uitgave: Amsterdam: P.N. van Kampen & zoon, 1882
Auteursrechten: Zie auteursrechten
Citeerinstructie: Bijzondere Collecties van de Universiteit van Amsterdam, UBM: IWO 1091 J 11 (6)
URL: https://schoolmuseum.uba.uva.nl/bookid/LCSM_203664
Bekijk als:      
Scan: Afbeeldinggrootte:
   De bloemlezing uit Nederlandsche prozaschrijvers
Vorige scan Volgende scanScanned page
128
de inquisitie geoefend, had haat maar ook angst verwekt;
deze verzachting, die men niet aan medelijden maar aan
lafhartigheid toeschreef, deed den angst bedaren zonder
dat de haat ophield. De Protestanten hadden van hun
geloof te midden der ergste verdrukking getuigd , zij konden
in den schroom hunner vervolgers geen beleid, zelfs geen
list zien; zij konden dien alleen als blijk van laf schuld-
bewustzijn verachten, en helaas! enkels verworpelingen
maakten er gebruik van, om een even verachtelijke daad
te begaan.
Om de groote kerk schoolden hoopen volks samen en
spotten over de ijverige geestelijkheid, die plotseling zoo
nalatig geworden was, dat zij niot slechts de ketters met
rust liet, maar zelfs het Mariabeeld terzijde geplaatst had,
om geen aanstoot te geven. Eenige uitgelaten jongelieden ,
hiermee niet tevreden, drongen naar binnen en vroegen ot
joffer Marijken bang was geworden dat zij zich verschool,
en of zij niet ook op de gezondheid der Geuzen wilde
drinken. De belhamel beklom den preekstoel en bootste
den priester na, tot een der Katholieken hem naar beneden
trachtte te halen , waarbij een kort gevecht ontstond. De
indringers waren als één tegen tien; daar echter niemand
den man, die zijn plicht deed, te hulp kwam, werd hij
overweldigd, een zege, die de baldadigen voor ditmaal
voldeed, zoodat zij onder het zingen van eenige spotlie-
deren aftrokken, onder de belofte evenwel van terug te
komen, een woord dat zij maar al te trouw gestand deden.
E-eeds den volgenden avond verzamelde zich een grooter
troep om de Kathedraal, nu ook met knuppels en hamers
voorzien. Hartstocht en woestheid waren op de gezichten
te lezen , blikken vol vernielzucht vestigden zich op de
prachtige kerk. Daar stond hij , de grootsche tempel, en
scheen dreigend op het volk neer te zien; maar men wist,
dat slechts harten vol angst binnen zijn muren klopten ,
en de deur weerstond niet toen een vermetele hand de
klink oplichtte Een deel der muitelingen aarzelde, de
hevigsten echter drongen in het gebouw. Statig strekte
zich de wij.le ruimte voor hen uit; dof glinsterde het rijke
goud- en zilverwerk op de zeventig altaren, die de Kathe-
draal versierden; in de schemering gehuld, werden de
schilderijen tot donkere massa's, waarvan hier en daar
slechts een enkel beeld onduidelijk uitkwam ; alles was stilte
en duisternis. Instee der anders zoo talrijke scharen zag
men nu niets dan enkele gedaanten, die zich schuw in de