Boekgegevens
Titel: De bloemlezing uit Nederlandsche prozaschrijvers
Deel: 6e stuk Van C.E. van Koetsveld tot A.S.C. Wallis / verz. door J. ten Brink
Auteur: Kampen, Nicolaas Godfried van; Veegens, Daniel; Brink, Jan ten
Uitgave: Amsterdam: P.N. van Kampen & zoon, 1882
Auteursrechten: Zie auteursrechten
Citeerinstructie: Bijzondere Collecties van de Universiteit van Amsterdam, UBM: IWO 1091 J 11 (6)
URL: https://schoolmuseum.uba.uva.nl/bookid/LCSM_203664
Bekijk als:      
Scan: Afbeeldinggrootte:
   De bloemlezing uit Nederlandsche prozaschrijvers
Vorige scan Volgende scanScanned page
127
in beweging te brengen, en van daar ook dat men in
Antwerpen reeds zoo snel van de voorvallen bij St. Omer
onderricht was geweest. Men had gevoeld, dat iets op
handen was; men kende de woeste stemming, die juist
in deze streken heerschte, en had dus slechts een vage
meedeeling noodig om midden in den geest der tumul-
ten te zijn, die daar hadden plaats gegrepen. Dat die
kennis tevens tot navolging Jeiden zou, dat betwijfelde
althans hij niet, die getuige der ruwe blijdschap ge-
weest was, waarmee het Antwerpsch gepeupel de eerste
tijding der gepleegde wandaden begroette. Naast godsdien-
stig fanatisme had het verlies , dat de handel door een
vervolging leed, die de Protestantsche kooplieden naar
Engeland dreef, een haat verwekt, die den Calvinist nog
vijandiger tegenover den Katholiek plaatste, en hier was
daarenboven als derde element een wild, muitziek grauw,
dat bij elke gedachte aan vernieling juichte. Alles wat
zulke uitspattingen mogelijk, maar ook gevaarlijk maken
kon, was hier bijeen. Nam Antwerpen aan de beeldstor-
merij deel, dan zou zij zich overal verspreiden, dat voelde
ieder, en de vraag naar haar gedrag rustte dus op ieders
lippen. Ook de Éoomsche geestelijkheid deelde in de al-
gemeene spanning. Geheel strijdig met de anders gebrui-
kelijke praal, hield zij een processie, die in deze dagen
viel, zonder eenige staatsie, en toonde aan de hervormden
een zoo onderworpen gelaat, als waren dezen de heerschers,
haar dienaars de oogluikend toegelatenen. Met het bekend
worden der in Henegouwen gepleegde verwoesting was in
Antwerpen alles veranderd. Gedurende enkele dagen waren
de Protestanten meester der stad. De Eoomschen , ofschoon
zij zelf geen zachter maatregelen waagden voor te stellen,
zouden die met blijdschap hebben zien nemen , zich voor-
behoudend ze in rustiger tijden af te keuren ; ja zij zouden
hun vijanden gaarne een eigen kerk hebben toegestaan,
mits men maar hun tempels spaarde. Zij toonden zich
eensklaps zeer verdraagzaam, want de onverdraagzaamheid
zou nu een zwaard zijn , dat hén trof.
Deze ongewone lankmoedigheid bracht echter een tegen-
overgestelde werking te weeg. Bij het weldenkende deel
der Protestanten bestond natuurlijk geen oogenblik de
gedachte, om op hun tegenstanders een onedele wraak te
nemen; dat gedeelte der bevolking echter, dat tot zulk
een handelwijze in staat was, schepte juist uit deze vrees
den moed tot haar misdrijf. De wreede vervolging, door