Boekgegevens
Titel: De bloemlezing uit Nederlandsche prozaschrijvers
Deel: 6e stuk Van C.E. van Koetsveld tot A.S.C. Wallis / verz. door J. ten Brink
Auteur: Kampen, Nicolaas Godfried van; Veegens, Daniel; Brink, Jan ten
Uitgave: Amsterdam: P.N. van Kampen & zoon, 1882
Auteursrechten: Zie auteursrechten
Citeerinstructie: Bijzondere Collecties van de Universiteit van Amsterdam, UBM: IWO 1091 J 11 (6)
URL: https://schoolmuseum.uba.uva.nl/bookid/LCSM_203664
Bekijk als:      
Scan: Afbeeldinggrootte:
   De bloemlezing uit Nederlandsche prozaschrijvers
Vorige scan Volgende scanScanned page
m
126
saamgeschoold. Sommigen voerden bijlen en knuppels mee,
tot zelfverdediging bestemd, als de dienaars der inquisitie,
gelijk reeds maar al te dikwijls gebeurd was, ben zouden
overvallen, doch onwillekeurig richtte hun hand de wapens
dreigend tegen een gebouw op, dat van de macht der
heerschende kerk sprak, die hun geloof verdrukte, en tegen
wier zinnebeelden men hen als afgoderij en duivelswerk
gewaarschuwd had. Het was de natuurlijke, bijna onbe-
wuste beweging van een lang getergden wrok, maar wat
eerst slechts bedreiging was, het werd plotseling daad.
Waarom zou de bijl niet toeslaan, en deze muren, waarin
een overmoedig papisme huisde, verbrijzelen? waarom zou
de vervolgde ketter zijn vervolgers niet met even harde
munt betalen? In een ruwe, opgewonden menigte moest
het denkbeeld tegelijk de uitvoering zijn, en eer de ge-
volgen berekend, ja eer het voornemen nog met klaar
bewustzijn gevat was, had men het feit reeds voltrokken.
Men stormde de abdij binnen, sloeg kort en klein wat te
vernielen was, en daar men geen tegenstand vond, klom
de overmoed, die het werk begonnen had, tot waanzinnige
hoogte, want de schrik, die zonder twijfel de razenden
zou bevangen bobben, als hun eerste poging op verzet
gestuit was, beteugelde nu niet hun woede. Zij snelden
voort, waar zij kwamen verwoestend en plunderend, terwijl
niemand zooveel onverschrokken plichtgevoel toonde, dat
hij waagde zich tegen deze ellendigen te weer te stellen.
Een bende van ongeveer vijftig menschen, matrozen,
schippers, boeren en liederlijke vrouwen, kon op deze
wijze in weinige uren tallooze kapellen en kloosters ver-
nielen , niet heimelijk, niet volgens een vooraf beraamd
plan, neen, met onbesuisde drift en ten aanschouwe van
duizenden. Men mocht sinds lang tegen de „heidensche
versierselen der hoere Babylons, zijnde den vromen tot
ergernisse ende ontstichting in haar kerken te zien," gepre-
dikt , ja zelfs op zulk een bedrijf gewezen hebben , de uit-
voering geschiedde onbezonnen, zooals daden van het
oogenblik plaats grijpen. De misdaad van een enkele nood-
lottige opwelling was de beeldstormerij, schandelijk voor
de Protestanten, die er aan deelnamen, schandelijk ook
voor de Katholieken, die ze niet beletten!
Dat een gebeurtenis als deze spoedig bekend moest wor-
den , liet zich denken; zij was zoo ongehoord en werd zoo
zonder schroom bedreven, dat het gerucht er van zich
terstond overal verspreiden moest, om overal de gemoederen