Boekgegevens
Titel: De bloemlezing uit Nederlandsche prozaschrijvers
Deel: 6e stuk Van C.E. van Koetsveld tot A.S.C. Wallis / verz. door J. ten Brink
Auteur: Kampen, Nicolaas Godfried van; Veegens, Daniel; Brink, Jan ten
Uitgave: Amsterdam: P.N. van Kampen & zoon, 1882
Auteursrechten: Zie auteursrechten
Citeerinstructie: Bijzondere Collecties van de Universiteit van Amsterdam, UBM: IWO 1091 J 11 (6)
URL: https://schoolmuseum.uba.uva.nl/bookid/LCSM_203664
Bekijk als:      
Scan: Afbeeldinggrootte:
   De bloemlezing uit Nederlandsche prozaschrijvers
Vorige scan Volgende scanScanned page
124
zich veerkrachtig weer ophief bij de aanraking van den
geweldigen heelmeester, Smart; het was een eng en zelf-
zuchtig gemoed ; dat terugschrikte voor de pijn en laag-
hartig naar uitkomst zocht, tot welken prijs dan ook.
Arme , zwakke Agnieta !
Uitputting had haar eindelijk in een stoel doen neder-
zinken, en daar zat zij nu met een bleek gelaat en rood-
bekreten oogen in doüe verslagenheid voor zich uit te
staren. Enkele uren geleden had zij als een beeld van
stralend geluk aan de zijde van haar beminden bruidegom
gestaan. Thans, door het wicht van wee als verpletterd,
wrong zij de kleine, witte handen, en gedurig beefde van
hare lippen de klacht:
„O ! mijn God , wat moet ik doen !"
Even gloeiden hare wangen bij de plotselinge gedachte:
„Ik wil hem alles bekennen," maar de gloed stierf weg
met de opwelling. „O ! neen , dat niet, dat kan ik niet.
Hij zou mij verachten , of anders . . .."
Zij sprak het tweede „hij zou" niet uit, maar het scheen
haar wel even ontzettend als het eerste, want zij zweeg
en kromp sidderend ineen.
Was er dan geen middel om te ontkomen, nergens,
nergens meer? — In haar angst dacht zij aan den God,
tot Wien haar vader en nog iemand, héél, héél lang ge-
leden , haar geleerd hadden te bidden , en van Wien zij
haar verhaald hadden dat hij almachtig was en in den
ergsten nood nog uitkomst geven kon. Zij dacht aan Hem
en zij knielde voor Hem neder, niet in ootmoed, maar in
baatzxicht. Zij trachtte bijgeloovig Hem te verbidden,
Hem over te halen tot haar belang, opdat Hij haar een
uitweg zou M-ijzen uit haar ellende.
„O, lieve Heer! almachtige God!" zoo stamelde zij ge-
broken. „Heb toch medelijden met mij , want ik ben zoo
ongelukkig. Och, ik bid u zoo vurig: laat toch niets uit-
komen van wat er gebeurd is. Het was immers mijn schuld
niet? Ik had het toen wel willen zeggen , maar ik durfde
niet, en later was alles zooveel erger geworden, en toen
kon ik het in het geheel niet meer. Niemand heeft er immers
kwaad van ? Och! Gij zijt zoo goed! Maak toch dat
alles blijven kan, zooals het is. Wij zijn nu juist zoo heel
gelukkig, Ewald en ik, maar als hij alles weet, zal hij er
stellig ongelukkig door worden , en dat heeft hij niet ver-
diend , hij niet. Hij heeft nergens schuld aan , hij is zoo
goed. O! vergeef mij toch, dat ik het stilgezwegen heb.