Boekgegevens
Titel: De bloemlezing uit Nederlandsche prozaschrijvers
Deel: 6e stuk Van C.E. van Koetsveld tot A.S.C. Wallis / verz. door J. ten Brink
Auteur: Kampen, Nicolaas Godfried van; Veegens, Daniel; Brink, Jan ten
Uitgave: Amsterdam: P.N. van Kampen & zoon, 1882
Auteursrechten: Zie auteursrechten
Citeerinstructie: Bijzondere Collecties van de Universiteit van Amsterdam, UBM: IWO 1091 J 11 (6)
URL: https://schoolmuseum.uba.uva.nl/bookid/LCSM_203664
Bekijk als:      
Scan: Afbeeldinggrootte:
   De bloemlezing uit Nederlandsche prozaschrijvers
Vorige scan Volgende scanScanned page
122
Maar een blik uit moeders sprekend oog doet bem blijven.
Hij knielt neer.
Doch. bidden? — Ach, daar is niets in het eigen harte
dat er hem toe dringt! — Wel zijn de handen gevouwen,
maar de geest is vervuld van het onweder. Onwillekeurig
zoekt de duim van de eene naar den pols van de andere
hand, om, hoe oneerbiedig moeder het ook vinden moge,
uit het aantal malen dat de pols slaat tusschen licht en
slag, te berekenen hoe ver de bui nog af is. Wel zijn de
oogen gesloten, maar de gedachten worden beheerscht door
hetgeen buiten geschiedt. Een gierende windvlaag voert
ze naar den tuin. Duidelijk ziet hij de afgeschudde appe-
len liggen. Van deze, hier op het korte gras, vliegt zijn
oog naar een tweede, half verscholen onder dat breede
koolblad, om een oogenblik later verlangend te blijven
rusten op den gindsche, die met het roode wangetje naar
boven zoo verleidelijk ligt te lachen in het gele hart van
een andijvieplant. Weder anderen hoort hij vallen, achter
zich, op het harde pad; hoe frisch sijpelt het sap uit die
barst! Zijn tanden wateren ... en, o vreeselijke gedachte!
als een ander hem eens vóór was, die jonden b.v. van
Cis Lemmen, die reeds door zijn eigenaardig bleek gelaat
op het vermoeden brengt, dat hij hoofdzakelijk leeft van
onrijp ooft en daarbij zoo mager is, dat hij door het
nauwste gat in een heg kan kruipen . . .
Een helle bliksemstraal, snel gevolgd door een ratelen-
den slag, doet hem opschrikken uit deze wereldsche over-
denkingen.
Gehuld in een naar blauw zweemend licht, treft hem
weder het tooneel om zich heen, die kring van geknielden,
en in het midden die vrouw, met de verheven uitdrukking
op het naar boven gewend gelaat, de nooden harer ziel
klagend aan haren Heer. Welk een tegenstelling met de
beelden, die even te voren verbeelding uit zijn eigen we-
reldje schiep!
Hij gevoelt iets, dat gelijkt naar wroeging; het wordt
hem bang om het hart: het is of hij de eenige hier is,
die . ..
Eenzame jonge heiden! Kog weet gij zelf niet, dat ge
ongeloovig zijt. Maar tot dit besef zult gij komen. En
het zal u niet mogelijk wezen iets te schijnen wat gij niet
zijt. Licht zal het u vallen de voordeelen te derven, die
ook van schijnen de prijs kunnen zijn. Want rijkelijk,
met schatten van hart en verstand, zullen de enkelen,