Boekgegevens
Titel: De bloemlezing uit Nederlandsche prozaschrijvers
Deel: 6e stuk Van C.E. van Koetsveld tot A.S.C. Wallis / verz. door J. ten Brink
Auteur: Kampen, Nicolaas Godfried van; Veegens, Daniel; Brink, Jan ten
Uitgave: Amsterdam: P.N. van Kampen & zoon, 1882
Auteursrechten: Zie auteursrechten
Citeerinstructie: Bijzondere Collecties van de Universiteit van Amsterdam, UBM: IWO 1091 J 11 (6)
URL: https://schoolmuseum.uba.uva.nl/bookid/LCSM_203664
Bekijk als:      
Scan: Afbeeldinggrootte:
   De bloemlezing uit Nederlandsche prozaschrijvers
Vorige scan Volgende scanScanned page
121
Niet dan schoorvoetend gehoorzaamt Willem. Liever
ware hij overgelaten gebleven aan zich zelf, aan zijn eigen
gedachten , zijn eigen leven.
In de deur van de huiskamer blijft hij een oogenblik
staan, overweldigd door een wonderlijken indruk, die te
sterker is door den gedachtenloop die er aan voorafging.
In het slechts door één raam verlichte vertrek heerscht
een op dat uur ongewone schemering. En in dat geheim-
zinnig halfdonker ziet hij zijn vrome moeder te midden
van haar kinderen geknield liggen.
Hij staat daar als een vreemde.
Is dat zijn vroolijke moeder, die zoo hartelijk met haar
kinderen lachen kan P De kinderlijke moeder, die allerlei
spelletjes met hen speelt? De huiselijke moeder, die naait>
en breit en lapt cn stopt ? De argelooze moeder, uit wier
werkmandje hij alles nemen durft wat van zijn gading is ?
De gemakkelijk te overreden moeder, uit wier zak hij
immer eenige centen weet te tooveren, door haar wat hij
er meê doen wil voor te stellen als een voordeelige geld-
belegging; voorstellingen, soms, (verbeeld u, een prachtige
jonge ekster voor vijfcenten maar!) zóó verleidelijk schoon ,
dat hij ook bij haar de overtuiging weet te vestigen , dat
het roekeloos zijn zou , zulk een wellicht nimmer terug-
keerende gelegenheid ongebruikt te laten voorbijgaan ? De
toegeeflijke moeder, zoo beminnelijk in haar zwakheid,
als zij, bewogen door een bedroefd kindergezichtje, terug-
komt op een weigering? De heerlijke moeder, in één
woord, die haar kinderen aan zich weet te hechten door
onverbrekelijke draden, welke haar nimmer rustende liefde
spint uit haar rijk gemoed.
Neen ! . . . die daar in het halfdonker geknield ligt, is
eene andere. De uitdrukking van haar gelaat is meer dan
ernstig. . . verheven! Er is een wonderlijke smart in, en
uit haar oogen licht thans helder de gloed, die er anders
in kwijnt.
Willem staat daar als een vreemde.
Het is hem te moede alsof in deze ure zijn moeder verre
van hem is, daar waar hij haar niet volgen kan, waar hij
haar niet gaarne volgt ook: in die onzienlijke wereld, waar
voor een jongen als hij geen plaats is, waar niets is, dat
zijn aardsch hart aantrekt.
Het liefst ware hij weggeslopen, terug naar zijn hei-
densch wereldje, waarin hij zich zoo geheel thuis gevoelt,
waarin het hem zoo wèl is.