Boekgegevens
Titel: De bloemlezing uit Nederlandsche prozaschrijvers
Deel: 6e stuk Van C.E. van Koetsveld tot A.S.C. Wallis / verz. door J. ten Brink
Auteur: Kampen, Nicolaas Godfried van; Veegens, Daniel; Brink, Jan ten
Uitgave: Amsterdam: P.N. van Kampen & zoon, 1882
Auteursrechten: Zie auteursrechten
Citeerinstructie: Bijzondere Collecties van de Universiteit van Amsterdam, UBM: IWO 1091 J 11 (6)
URL: https://schoolmuseum.uba.uva.nl/bookid/LCSM_203664
Bekijk als:      
Scan: Afbeeldinggrootte:
   De bloemlezing uit Nederlandsche prozaschrijvers
Vorige scan Volgende scanScanned page
120
gezien heeft en hetgeen hij nu verwacht vormt één han-
deling.
In later jaren, bij het zien van een forsch drama, zal
hij zich de stemming herinneren waarin hij thans verkeert.
Maar nu weet hij van kunst nog niets; nog kent hij geen
ander tooneel dan leven en natuur.
Zie, daar wendt hij het hoofd om; door het dof gerom-
mel dreunde de eerste slag. Onvervaard blikt hij in het
dreigend oosten. Op den bodem zijner ziel zoudt ge den
verholen wensch kunnen vinden dat het hard, erg hard
donderen mocht.
En reeds regelt hij de werkzaamheden, die voor hem
immer op een onweer volgen. In den tuin schudden de
windvlagen appelen en peren af, — die oogst moet binnen
gehaald worden; in de laagten van de straat stroomt de
regen tot groote plassen bijeen, — hij moet uit met de
schop om waterwerken te maken; de karresporen worden
snel vlietende beekjes, — zeldzame gelegenheid om een
watermolen te doen draaien; als de plassen opgedroogd
zijn, blijft er een laag zwarte stof over, — in zijn oog een
kostbare mestsoort, waarvan de waarde alleen aan hem
bekend schijnt te zijn, want niemand betwist ze hem en
hij mag dan ook menigen bloempot vol naar zijn eigen
tuin dragen. Ook moet hij het veld in, om te gaan kijken
naar de boomen waar de bliksem ingeslagen is, naar die
eplinterachtige sleuven in de stammen, welke den lande-
lijken voorbijganger nog jaren daarna doen opmerken:
„den donder is er an geweest," — juist alsof er geen
naamvallen in de wereld zijn en alsof zoo'n boomstam een
lekkernij is waaraan de donder gesnoept heeft.
Ziedaar een en ander uit hetgeen er omgaat in die jon-
gensziel.
Trof het u niet, lezer! — Tan godsdienst geen spoor:
echt heidensch; . . . maar daarom onnatuurlijk?
De plaats overstekend, wordt hij door de meid uitge-
noodigd om binnen te komen. liet is een boodschap van
zijn moeder, voor wie een onweder geheel iets anders is
dan voor hem. Haar opvatting is een bijbelsche; in den
donder hoort zij Jehova's stem. Levendig, hartstochtelijk
van natuur en, in oogenblikken van godsdienstige opwek-
king als deze, geneigd tot mysticisme, voelt zij zich ge-
drongen tot plechtige aanbidding van haren Heer.
Daarvoor roept zij hen, die haar het liefst zijn, haar
kinderen, om zich heen.