Boekgegevens
Titel: De bloemlezing uit Nederlandsche prozaschrijvers
Deel: 6e stuk Van C.E. van Koetsveld tot A.S.C. Wallis / verz. door J. ten Brink
Auteur: Kampen, Nicolaas Godfried van; Veegens, Daniel; Brink, Jan ten
Uitgave: Amsterdam: P.N. van Kampen & zoon, 1882
Auteursrechten: Zie auteursrechten
Citeerinstructie: Bijzondere Collecties van de Universiteit van Amsterdam, UBM: IWO 1091 J 11 (6)
URL: https://schoolmuseum.uba.uva.nl/bookid/LCSM_203664
Bekijk als:      
Scan: Afbeeldinggrootte:
   De bloemlezing uit Nederlandsche prozaschrijvers
Vorige scan Volgende scanScanned page
119
enkele droppelen, die om Willems dobber in bet water
vielen, bem deden denken aan maobtelooze tranen van
spijtig berouw. En tegen bet naderen van den avond zonk
telkens de leeuwendrom achter de elzenheggen weg._ Maar
iederen dag ook keerde hij terug, grooter, sterker; iederen
dag waagde hij zich verder, hooger de blauwe lucht in.
En nu ... .
net mag zes uur in den avond wezen. Op een hoog
pad , dicht bij huis, staat Willem in gezelschap van een
werkman en een wever — de eerste rookend uit een vuil
smeugeltje, de ander uit een deftiger, langer pijp. Allen
kijken zwijgend rond.
De gele^zonneschijn en de blauwe hemel zijn verdwenen.
Aarde en uitspansel zijn grauw, alleen in 't westen zwak
geel getint. In het oosten blijven de blikken rusten Daar
hangt de bui. Hetzelfde grijs, maar nu den hemel gelijk-
matig kleurend, en daarin dezelfde witte koppen: drei-
gend! — En de aarde? Angstig verbeidend I
„'t Zal er spannen," meent de werkman.^ De wever
zwijgt, maar het bedenkelijk gelaat, waarmeê hij met ge-
wichtige langzaamheid de pijp op de vlakke hand uitklopt,
zegt duidelijk: „'t Zal er spannen." En de boer, die in
snellen draf op zijn kar voorbijschokt en, als het ware
om die afwijking van het gebruik te rechtvaardigen, met
de zweep naar het oosten wijst; de boerin die haastig
voorbijgaand den gestreepten bovenrok over het hoofd
slaat, waardoor ons een blik gegund wordt op den rooden
onderrok; de wilg ginds, ver in het verschiet, wiens roer-
looze, bleek groene kruin zacht uitkomt tegen de grijze
lucht; de molen daarachter, waarvan de zeilen gereefd
worden; — alles zegt in eigenaardige, stommetaal: „'tZal
er spannen."
Aldus, stilte en schemering voor zich uit zendend, rukt
de bui met dof gerommel aan.
Er vaart een gesuis door de lucht, de boomkruinen gaan
over zij , er vallen enkele dikke druppelen.
„Marrr-di!" roept de werkman uit, getrofien door het
maische van den druppel, die op zijn hand uiteenspatte;
en zich snel omwendend, haast hij zich met den wever
naar huis.
Geheel vervuld van de dingen die komen zullen, volgt
Willem dit voorbeeld.
Wat in werkelijkheid door weken van elkaar gescheiden
is, ligt in zijn geest aan-één. Wat hij in de vorige dagen