Boekgegevens
Titel: De bloemlezing uit Nederlandsche prozaschrijvers
Deel: 6e stuk Van C.E. van Koetsveld tot A.S.C. Wallis / verz. door J. ten Brink
Auteur: Kampen, Nicolaas Godfried van; Veegens, Daniel; Brink, Jan ten
Uitgave: Amsterdam: P.N. van Kampen & zoon, 1882
Auteursrechten: Zie auteursrechten
Citeerinstructie: Bijzondere Collecties van de Universiteit van Amsterdam, UBM: IWO 1091 J 11 (6)
URL: https://schoolmuseum.uba.uva.nl/bookid/LCSM_203664
Bekijk als:      
Scan: Afbeeldinggrootte:
   De bloemlezing uit Nederlandsche prozaschrijvers
Vorige scan Volgende scanScanned page
118
belangstelling duurt den lieelen dag door, en trouw deelt
hij deze waarnemingen mede aan zijn vader, die in zijn
hart ook nog een jongen is. Vóór den middag luiden de
opgetogen berichten: „Al zóóveel graden!" en na den
middag: „ Nog zóóveel graden!" Maar de gewichtigste
tijd is tusschen één en twee uur, het warmste van den
dag; dan is het of geheel zijn leven samengetrokken is op
de bovenpunt van het kwikzuiltje. Vier-en-negentig graden
Fahrenheit is het al verscheidene dagen geweest; zal hij
er nu over komen H Zoo -waarlijk!... Willem stormt
zijn vaders kantoor binnen, en zonder zich te storen aan
de boerenfamilie, die met blauw en rood geruite zakdoeken
het zweet van het gezicht veegt, roept hij opgewonden
uit: „Vader, hij is er over, over de vier en negen-
tig!" „Wel deksel, dan moeten we gaan kijken." De
klerk en de kliönten, die dit antwoord als een uitnoodiging
opvatten , gaan ook mede. En Willem wijst naar de kwik-
zuil met een zelfvoldoening, als had hij haar zelf zoo hoog
opgedreven , zelf zoo hard gestookt!
Ja, van zulke triomfen geniet hij. Hij merkte het bijna
als een persoonlijke overwinning aan, toen hij van Driek
Staats, den diksten man uit het dorp hoorde zeggen: „hij
is noa de kelder gegoa — hij kos et niet langer uithaue. *
Weder is het een snikheete dag geweest. ïoch was het
blauw van den hemel niet zuiver en scheen de zon niet
helder. Maar het was benauwd, „broeierig", zeiden de
menschen, en de meesten voegden er bij: „er kumpt
onweer".
De voorspellingen hebben Willem geheimzinnig doen
glimlachen. Hij weet er meer van. Verscheiden dagen
reeds, als hij zat te hengelen, hebben zich grijze wolken
met witte koppen vertoond. Aanvankelijk lagen ze daar
rustig gelegerci; — een drom neergedoken leeuwen gelijk,
waarvan slechts rug, kop en manen boven de groene top-
pen der elzenheggen uitstaken. Maar spoedig waren er
ongeduldigen, die met opgeheven klauwen in de hoogte
rezen, en er dan dreigend genoeg uitzagen. En de stout-
sten onder dezen scheidden zich geheel van den drom af
en waagden zich onversaagd alleen vooruit; doch dan was
het ras met hen gedaan: vervloeiend , was er weldra geen
leeuw, zelfs geen dier meer in te herkennen; er bleef niets
van over dan een onbeduidende vage wolk , waarvan de