Boekgegevens
Titel: De bloemlezing uit Nederlandsche prozaschrijvers
Deel: 6e stuk Van C.E. van Koetsveld tot A.S.C. Wallis / verz. door J. ten Brink
Auteur: Kampen, Nicolaas Godfried van; Veegens, Daniel; Brink, Jan ten
Uitgave: Amsterdam: P.N. van Kampen & zoon, 1882
Auteursrechten: Zie auteursrechten
Citeerinstructie: Bijzondere Collecties van de Universiteit van Amsterdam, UBM: IWO 1091 J 11 (6)
URL: https://schoolmuseum.uba.uva.nl/bookid/LCSM_203664
Bekijk als:      
Scan: Afbeeldinggrootte:
   De bloemlezing uit Nederlandsche prozaschrijvers
Vorige scan Volgende scanScanned page
117
Aan struik en boom hangen de bladeren verlept neer;
hun groen is vaal geworden.
Tal van vruchten zijn onrijp afgevallen; slap en gerim-
peld als het vel van oude vrouwtjes.
Er zijn vijvers en poelen waarin geen water, geen vocht
meer te bespeuren is: tot den laatsten druppel heeft de
zon opgelikt; — en nog blijft ze voort likken , met bran-
dende tong likken over den uitgedroogden bodem, die,
als woedend over deze pijniging, openspringt in toornige
barsten.
AA^arm als het geweest is!
Het water: lauw; lucht, zand, muren: heet; de ge-
teerde planken schuttingen om de tuinen: gloeiend !
Musschen en spreeuwen zitten op de daken te gapen.
De kippen zijn neergezegen, sommigen op zijde, den vleu-
gel waaiervormig uitgespreid over den lui uitgestrekten
poot. De bloedroode tong uit den muil, zoeken de honden
koelte in de schaduw. In vijvers waarin nog water is
liggen de goudvisschen tusschen het kroos aan den kant
te snakken naar frischheid.
De menschen lijden evenzeer: die in beweging zijn drij-
ven in het zweet, die stilzitten dommelen in. Maar wie
kl.'ige , AVillem , de buitenjongen , niet.
Hij is trotsch op zijn verbrande tronie, 's Morgens bij
het wasschen kijkt hij met welgevallen naar de scherpe
afscheiding, diep in den hals, tusschen bruin en wit, en
overdag laat hij dien tooi gaarne zien aan anderen. „Jon-
gen, jongen, je zult nog heelemaal verbranden!" roept
soms zijn moeder afkeurend en waarschuwend uit. Maar
dit vooruitzicht schrikt hem volstrekt niet af. Veeleer is
het hem een illusie. Om haar verwezenlijkt te zien, zou
hij wel spiernaakt in de zon willen gaan liggen. AVat er
dan gebeuren zou, daar zijn z'n kornuiten het niet over
eens. Sommigen zijn van oordeel , dat men gelijkmatig
bruin wordt, — juist als een brood in den oven; anderen
achten het waarschijnlijker dat men bruine plekken krijgt,
dat men doorslaat, ongeveer op de wijze van een door-
rooker. . . .
AVillem geniet van die aanhoudende warmte.
Hij beschouwt de aarde als een grooten oven ; er moet
in gestookt, zoo hard mogelijk in gestookt worden.
Met genoegen ziet hij eiken morgen de zon weer even
verblindend aan den strak blauwen hemel staan. Zijn
eerste werk is naar den thermometer te gaan kijken. Die