Boekgegevens
Titel: De bloemlezing uit Nederlandsche prozaschrijvers
Deel: 6e stuk Van C.E. van Koetsveld tot A.S.C. Wallis / verz. door J. ten Brink
Auteur: Kampen, Nicolaas Godfried van; Veegens, Daniel; Brink, Jan ten
Uitgave: Amsterdam: P.N. van Kampen & zoon, 1882
Auteursrechten: Zie auteursrechten
Citeerinstructie: Bijzondere Collecties van de Universiteit van Amsterdam, UBM: IWO 1091 J 11 (6)
URL: https://schoolmuseum.uba.uva.nl/bookid/LCSM_203664
Bekijk als:      
Scan: Afbeeldinggrootte:
   De bloemlezing uit Nederlandsche prozaschrijvers
Vorige scan Volgende scanScanned page
116
blijven in gindschen hoek en neemt Ida weg, dan zult ge
zien hoe recht ongezellig die zelfde kamer met die zelfde
jongens worden zal. Ge zoudt eens hooren hoe gauw vader
van 't kantoor zou komen en roepen : „dat hij onmogelijk
werken kon bij zulk rumoer''; ge zoudt zien hoe de twee
studeerenden van boven kwamen om een paar ferme klap-
pen uit te deelen aan die bende levenmakers met „den
wildsten van de heele school'* aan 't hoofd . . .
Zeer ongezellig zou 't in die kamer worden, Hoe goed
wist Ida's fee, welk geschenk haar 't meest geluk kon aan-
brengen en den besten invloed hebben zou op haar omge-
ving ; want slecht zou in dit gezin de orde zijn gehandhaafd ,
indien een „reine du bal" de eenige zuster ware ge-
weest.
Nu xult ge wel zeggen dat mooi en lief heel goed kunnen
samengaan.
"Wel zeker! Maar toch de kolibri is niet de nachtegaal.
(Miniaturen^
H. H O L L I D E E.
Hen jonge Heiden,
Als een heete adem gaat Augustus over de versmach-
tende aarde.
Weken achtereen is de hemel onbewolkt geweest; blauw,
altijd blauw, soms, op het warmst van den dag, vaal
violet getint.
Spoediger dan anders heeft de zon haar goudglans me-
degedeeld aan het graan. Verblindend hebben in haar
feilen gloed de sikkels geflikkerd; van verre gezien was
het of er gemaaid werd met vlammende tongen. En het is
als zullen onder het scherpen de zweetdruppelen der maaiers
sissen bij het neervallen op den gloeienden wetsteon.
Over de afgemaaide akkers, waarop de korte stoppelen
als goud staan te blinken, schijnt een laag heete asch te
liggen ; waar men er den voet op zet poft het pulver in
wolken op.
Dagen achtei^een heeft geen jongen een vlieger op kunnen
krijgen; zoo weinig wind is er geweest.