Boekgegevens
Titel: De bloemlezing uit Nederlandsche prozaschrijvers
Deel: 6e stuk Van C.E. van Koetsveld tot A.S.C. Wallis / verz. door J. ten Brink
Auteur: Kampen, Nicolaas Godfried van; Veegens, Daniel; Brink, Jan ten
Uitgave: Amsterdam: P.N. van Kampen & zoon, 1882
Auteursrechten: Zie auteursrechten
Citeerinstructie: Bijzondere Collecties van de Universiteit van Amsterdam, UBM: IWO 1091 J 11 (6)
URL: https://schoolmuseum.uba.uva.nl/bookid/LCSM_203664
Bekijk als:      
Scan: Afbeeldinggrootte:
   De bloemlezing uit Nederlandsche prozaschrijvers
Vorige scan Volgende scanScanned page
115
Frits heeft blond krulhaar, de andere jongens hebben
heel ordinair bruin haar op éen na, want Casperia
Ida's lotgenoot. Nu en dan komt Casper heel boos uit
school en scheldt op de jongens, die hem hebben nageroe-
pen: „Eooie vos!" Bij zoo'n gelegenheid is Ida gewoon
zijn handen in de hare gevangen te houden en den eenen
of anderen troostgrond aan te voeren of schertsend haar
eigen lokken bij Caspers haar te vergelijken en te zeggen
dat het hare „veel erger" is en dat „Casper wel zien zal,
hoe de roode kleur van het zijne langzamerhand bruin zal
worden." Eens was 't erger. Toen hadden de schooljongens
gezegd dat Casper valsch was, want dat alle menschen ,
die net als Judas, rood haar hadden, valsch waren! —•
Toen had Ida ernstig en toch half schertsend gezegd:
„Maar lieve Casper, God is goed en zou ïïij dan de macht
van goede of slechte eigenschappen in *t h a a r leggen?'*
en toen zoo troostend: „Ik ken geen oprechter jongen dan
mijn Casper."
Was 't wonder, dat Casper haar als een ridder uit den
ouden tijd de handen kuste en zei, dat moedertje *t liefste
meisje was van de heele wereld ?
Zie moedertje in den huiselijken kring, 't Is avond.
Tader is nog in 't kantoor, de twee oudste jongens zitten
boven op hun kamer en studeeren druk, maar de andere
vier knapen blijven binnen bij moedertje, 't Kost de twee
oudsten genoeg om niet in de gezellige huiskamer te zijn,
en als ze niet voor 't examen leerden , dan . . .
Ida zit aan eene groote tafel. Vóór haar staat het thee-
blad, naast haar op den grond een énorm-groote mand vol
jongenskousen die zij mazen moet. Frits ïit nevens Ida,
terwijl zij hem nu en dan aanziet of met de hand over
zijn krullebol strijkt, Frits maakt zijn schoolwerk even als
de drie andere broers. De huiskamer is een ruim vertrek,
hoog van verdieping en van weinig meubels voorzien,
want Ida's vader is niet rijk. 't Kleed op den vloer is niet
mooi en zeer dun , maar de lamp brandt helder, het thee-
water zingt. . .
„Wat is 't hier gezellig!" roept een vijftienjarige met
ondeugende kijkers, die op school den bijnaam heeft van
„de wildste.'* Welke boeien legt moedertje hem aan, dat
hij hier zoo rustig voortwerkt en 't zoo gezellig vindt?
Laat alles in de kamer op zijn plaats; laat het theewater
zingen, het licht schijnen, laat het theeblad staan en de
mand met kousen, laat ook 't welvoorziene bloemtafeltje
8*