Boekgegevens
Titel: De bloemlezing uit Nederlandsche prozaschrijvers
Deel: 6e stuk Van C.E. van Koetsveld tot A.S.C. Wallis / verz. door J. ten Brink
Auteur: Kampen, Nicolaas Godfried van; Veegens, Daniel; Brink, Jan ten
Uitgave: Amsterdam: P.N. van Kampen & zoon, 1882
Auteursrechten: Zie auteursrechten
Citeerinstructie: Bijzondere Collecties van de Universiteit van Amsterdam, UBM: IWO 1091 J 11 (6)
URL: https://schoolmuseum.uba.uva.nl/bookid/LCSM_203664
Bekijk als:      
Scan: Afbeeldinggrootte:
   De bloemlezing uit Nederlandsche prozaschrijvers
Vorige scan Volgende scanScanned page
114
■woedend, hij vloog op zijn makker toe en riep:
ze is zoo lief."
je
„dat lieg
want .
„Nu, dat 's een mooie conclusie ... en dat voor zoo'n
grooten jongen 1"
Deze woorden begroetten het enthousiasme van 't jonge
vrouwtje, dat een erge kleur kreeg en zeide: „Ja, 't was
aardig gezegd en *t bewijst dat Frits nog een kind is . .
Hierop werd de bezoekster zeer toornig, want haar zoontje
was ook twaalf jaar, maar lang zoo laf niet, hij kon al
vrij aardig praten over logika en rookte cigaren.
't Gesprek verkreeg een dreigend aanzien in den vorm
eener pijnlijke stilte, totdat er gelukkig stoornis opdaagde
en wel in de gedaante van Ida zelve. Toen Mevrouws vier
kinderen, die 't raam uitkeken, den tip van een zwarte
voile zagen , liepen zij allen naar de voordeur en voerden
in triomf Ida binnen. Zij kon niet naar behooren haar
compliment maken , want de kinderen hingen aan haar japon,
en lachend klonk haar heldere stem: „Maar, beste kin-
dertjes , laat me toch eventjes los!"
De élégante dame met de fraaie haarvlechten ergerde
zich; zij stond op en ging in alle deftigheid heen. Nu
begon 't rumoer eerst recht: „Wat heeft u mijn tol weer
goed gemaakt!" „En mijn pop zoo netjes aangekleed!"
enz. enz. Al de stemmetjes gonsden door elkaar. Toen
't Ida eindelijk gelukt was een stoel te bemachtigen , klon-
terden de kleuters op haar schoot, waarbij hun moeder
hen een handje hielp en zoo helder lachte, dat het door de
kamer weergalmde.
En , zooals Ida diiar zit, zal niemand haar leelijk noemen,
want er straalt uit haar oogen een innigheid en een warmte ,
die bevroren harten zouden doen ontdooien; een vriende-
lijkheid, die aanstekelijk werkt, geeft bezieling aan 't ge-
laat, dat zij zelve zoo erg leelijk vindt.
Ook en vooral in haar eigen kring is Ida de ziel en het
leven. Honderdmaal op éen dag wordt haar naam genoemd
door de jongens en door vader. Hoe goed weet zij de
orde te handhaven in 't groot gezin, zonder dat de broers
weten, dat hun een juk wordt opgelegd. Het juk, dat Ida
oplegt, is met bloemen omwonden en slechts de bloemen
zijn zichtbaar. Schertsend noemen zij haar soms „moedertje"
en Frits Benjamin , ge weet wel, die jongen met zijn on-
logische gevolgtrekking, is soms laf genoeg om's avonds niet
naar bed te willen gaan zonder een extra-nachtkus. „Eerst
een van moeder!" zegt hij dan „en nu nog een van Ida.'*