Boekgegevens
Titel: De bloemlezing uit Nederlandsche prozaschrijvers
Deel: 6e stuk Van C.E. van Koetsveld tot A.S.C. Wallis / verz. door J. ten Brink
Auteur: Kampen, Nicolaas Godfried van; Veegens, Daniel; Brink, Jan ten
Uitgave: Amsterdam: P.N. van Kampen & zoon, 1882
Auteursrechten: Zie auteursrechten
Citeerinstructie: Bijzondere Collecties van de Universiteit van Amsterdam, UBM: IWO 1091 J 11 (6)
URL: https://schoolmuseum.uba.uva.nl/bookid/LCSM_203664
Bekijk als:      
Scan: Afbeeldinggrootte:
   De bloemlezing uit Nederlandsche prozaschrijvers
Vorige scan Volgende scanScanned page
Eene derde uitzondering, gelukkig zeldzaam , troffen wij
daar aan, waar de man bijna met een hoofdschudden mij
aanhoorde, en de vrouw voortging met aardappelen schel-
len of kousen breijen: het laatste vooral, bemerkte ik
naderhand, was eene formele oorlogsverklaring ....
Het was een donkere avond. Onder eene echte Maart-
sche bui keerden wij huiswaarts. Nadat ik mijn' goeden
ouderling hartelijk had dank gezegd en goeden nacht ge-
wenscht, zette ik mij bij den haard neder, gevoelloos,
gedachteloos , uitgeput. Eeeds drie malen had mijne vrouw
gevraagd: „Wat hebt gij dan nu toch gedaan van daag,
Willem P "Wat hebt gij gezien en gehoord ? Vertel eens
wat." Eindelijk antwoordde ik verdrietig: „Wat ik ge-
daan heb , Kee ? Bekend gemaakt, wat ieder reeds wist, en
vertrouwd en gehoopt, wat ik niet wist. Wat ik gezien heb ?
Handen-vouwen zonder bidden. En gehoord ? Bedanken
zonder dankbaarheid. Alles poppenspel !'■ En zoo spre-
kende verzonk ik weer in mijne vorige dofheid, waaruit
voor dezen avond mijne goede vrouw mij niet kon opwek-
ken. Des nachts droomde ik van niets anders als van
zwijgende ouderlingen, buigende huisvaders en biddende
moeders; en toen Cornelia mij des morgens riep, ant-
woordde ik, nog slaapdronken: „Dank je wel, ik zal niet
gaan zitten;" zoo dat ik door haar luid lagchen werd
wakker gemaakt.
(Schetsen uit de Fastorie ie Mastland?)
W. J. KNOOP.
Het fransche leger bij Waterloo.
De nacht, die den bloedigen strijd van Waterloo voor-
afging, werd gekenmerkt door een sterken , aanhoudenden
regen, die den grond doorweekte, en weinig rust toeliet
aan de legerscharen , welke daarop , onder het gewelf des
hemels, verbleven. Tegen den ochtend echter hield die
regen op; de grond droogde en werd spoedig weer bruik-
baar voor dö bewegingen der troepen; en IS^apoleon's leger-