Boekgegevens
Titel: De bloemlezing uit Nederlandsche prozaschrijvers
Deel: 6e stuk Van C.E. van Koetsveld tot A.S.C. Wallis / verz. door J. ten Brink
Auteur: Kampen, Nicolaas Godfried van; Veegens, Daniel; Brink, Jan ten
Uitgave: Amsterdam: P.N. van Kampen & zoon, 1882
Auteursrechten: Zie auteursrechten
Citeerinstructie: Bijzondere Collecties van de Universiteit van Amsterdam, UBM: IWO 1091 J 11 (6)
URL: https://schoolmuseum.uba.uva.nl/bookid/LCSM_203664
Bekijk als:      
Scan: Afbeeldinggrootte:
   De bloemlezing uit Nederlandsche prozaschrijvers
Vorige scan Volgende scanScanned page
113
en een degelijk, gezond verstand. Toen Ida achttien jaar
telde, was 't dikwijls gebeurd, dat zij voor den spiegel
stond en met zooveel diepgevoelde smart haar gelaat be-
schouwde , dat hare oogen zielvol waren , niettegenstaande
de fletse kleur. En soms, als zij met zeer mooie meisjes
in gezelschap was, ging er veel om in haar jong hart en
dacht zij vaak met verborgen tranen, maar toch zonder
afgunst, waarom zij zoo erg leelijk was. Maar — haar
gezond verstand praatte al gauw ook een woordje mee.
Ida bezat een vriendin, die zij van kindsbeen af had
liefgehad. Deze ontving op zekeren morgen bezoek van
een harer kennissen en zoo over 't een en ander pratend ,
zei de dame : „Jammer toch , dat die Ida zoo heel leelijk is."
„Hé, vin-je dat, 't is mij nooit opgevallen," was 't ant-
woord , „ik houd zoo zielsveel van haar, ze is zoo lief en
eenvoudig , ik zie haar oneindig liever dan een opgeschikte
modepop. Haar verschijning brengt zoo iets warms mee,
zij kent geen égoïsme; nooit heb ik haar nog met jalousie
over mooie meisjes hooren spreken, zij bewondert ze alleen ,
dat lieve schepsel."
„Nu," sprak de bezoekster, die zeer elegant was, fraaie
witte kunsttanden had, en ontzettend dikke gekochte
vlechten, „nu, ik zeg ook niet, dat zij niet lief is,
maar zie je, ik ken haar maar van aanzien en je zult me
toch moeten toestemmen, dat haar uiterlijk volstrekt niet
aantrekt..."
„Och, dat weet ik niet. 'k Heb nooit veel gevoel gehad
voor wassen beelden , die nooit uit den plooi komen en
Ida kan zoo hartelijk lachen. Zij is altijd opgeruimd ; voor
haar vrienden is ze alles en voor haar familie meer waard
dan goud. Zij heeft haar moeder verloren, toen zij vijftien
jaar werd; ze is de oudste van zeven en zooals je weet,
het eenige meisje in 't gezin. O , de jongens hebben zooveel
met haar op, zij voelden nooit dat zij moederloos waren,
want mijn Ida is alles voor hen. 't Is dan ook Ida voor
en Ida na. De jongens honden dol veel van haar, o jal
daar moet ik je nog een staaltje van vertellen..." vervolgde
het aardig huismoedertje, dat nooit welbespraakter was dan
wanneer ze van haar kinderen öfvan haar Ida vertelde.
Zij merkte dan ook niet, dat haar bezoekster geeuwde bij
't weinig pikant discours en vervolgde: „Laatst was Frits,
die nu twaalf is en de jongste van allen , aan 't vechten
met een vriendje en waarom denk je? . . . 't Vriendje had
gezegd , dat Ida rood haar had en sproeten. Frits werd.
VI. 8