Boekgegevens
Titel: De bloemlezing uit Nederlandsche prozaschrijvers
Deel: 6e stuk Van C.E. van Koetsveld tot A.S.C. Wallis / verz. door J. ten Brink
Auteur: Kampen, Nicolaas Godfried van; Veegens, Daniel; Brink, Jan ten
Uitgave: Amsterdam: P.N. van Kampen & zoon, 1882
Auteursrechten: Zie auteursrechten
Citeerinstructie: Bijzondere Collecties van de Universiteit van Amsterdam, UBM: IWO 1091 J 11 (6)
URL: https://schoolmuseum.uba.uva.nl/bookid/LCSM_203664
Bekijk als:      
Scan: Afbeeldinggrootte:
   De bloemlezing uit Nederlandsche prozaschrijvers
Vorige scan Volgende scanScanned page
111
steken, de ree op, zijn zwart van al de menschen, die er
naar zijn komen kijken , hoe dat af zal loopen......Tus-
schen die twee havenhoofden door moeten ze naar binnen.
Dat 's niet gemakkelijk, want er loopt nog stroom op 't
oogenblik, dwars langs het ééne hoofd, tegen het andere
hoofd aan , en dan zoo naar binnen .... 't Is gevaarlijk
om nu de haven in te komen , maar .. dat 's niets .. laat
maar gaan ! — „Ouwe Jan" heeft zelf het roer in handen . . .
Daar komt de schoenerbrik ... de Engelsche vlag aan
de gaflel .... Jan staat aan her roer ... In de hoeken van
zijn mond ziet men , hoe hij kauwt op de tabak. Hij bijt
op zijn tanden, en heeft de tabak er tusschen in ... .
Terwijl hij met het schip nog een eind boven de haven-
hoofden IS , 4, boven strpoms", begint hij „op te steken."
Daar komt hij ! 't Is of de brik nu dwars den wal in stuurt,
alsof hij heelemaal boven den ingang van de haven, zoo
dwars boven op den dijk zou willen loopen .... Maar
neen , „ouwe Jan" weet wel beter, want zie .... nu krijgt
de stroom hem eerst recht goed te pakken , en 't is of hij
dwars wegdrijft, voor den dijk langs . . . De schoenerbrik
drijft dwars weg . . . maar . . . dat duurt, totdat hij bijna . . .
vlak vóór de haven is , want nu . . . kijk ... nu manoeu-
vreert „ouwe Jan" met het roer, terwijl, vooruit, een
zeiltje , een stagzeiltje, eventjes — maar voor een gedeelte —
wordt geheschen, en nu . . . komt de brik vlak langs het
bovenste havenhoofd. . . . Hij draait en giert met den stroom
meê tot dicht bij het andere hoofd, en dan — gtijdt hij
net als een zwaan midden tusschen. de twee havenhoofden door ^
en . . . naar binnen !
„Hoerah!" roept het volk dat op de beide havenhoofden
staat. „Hoerah !" roepen ze allemaal. Men hoort ze roepen,
van alles door elkaar. Men ziet hoeden en mutsen, en
armen die in de hoogte worden gestoken. „Ouwe Jan"
neemt ook zijn Zuidwester af en wuift met de hand, terwijl
zijn oude grijze haren fladderen in de lucht. — Hij drijft
nu met de brik verder de haven in.....
Nog een poosje later, en de Engelschman ligt veilig en
wel achter in de haven , boven op de droogte of de bank
die daar is, en waar ze hem boven op hebben laten loopen
opdat hij niet zou zinken. En nu pakt „ouwe Jan" zijn
„spullen" bij elkaar, en het duurt niet lang, of men ziet
hem met zijn zak en zijn zeelaarzen op den rug „recht in
den wind" over den dijk loopen, naar huis, waar moeder
de vrouw hem al in de deur staat te wachten.