Boekgegevens
Titel: De bloemlezing uit Nederlandsche prozaschrijvers
Deel: 6e stuk Van C.E. van Koetsveld tot A.S.C. Wallis / verz. door J. ten Brink
Auteur: Kampen, Nicolaas Godfried van; Veegens, Daniel; Brink, Jan ten
Uitgave: Amsterdam: P.N. van Kampen & zoon, 1882
Auteursrechten: Zie auteursrechten
Citeerinstructie: Bijzondere Collecties van de Universiteit van Amsterdam, UBM: IWO 1091 J 11 (6)
URL: https://schoolmuseum.uba.uva.nl/bookid/LCSM_203664
Bekijk als:      
Scan: Afbeeldinggrootte:
   De bloemlezing uit Nederlandsche prozaschrijvers
Vorige scan Volgende scanScanned page
110
vóór hij zoover is , net vóór de vierde ton, is het alsof
het schip even over den grond schuurt .... maar toch
't is maar eventjes----dadelijk schuift hij weer vooruit____
en 't gaat weer verder. Maar het is alsof het vaartuig nu
in eens meer lek geworden is dan straks, want het maakt
meer water dan zoo meteen. Het water „wast tegen de
pompen in."
Dat ziet er leelijk uit, want nu moeten ze straks met
den schoener in eens de haven in , om hem daar achter
in de haven op de bank, op de droogte te zetten. — „Jan"
had hem anders onder het Zuiderhoofd ten anker willen
brengen; maar, als ze hem niet boven water kunnen hou-
den , is dat niet raadzaam; hij zou achter zijn ankers
zinken. Dus, de haven in.
Ze zien de haven al, ze zijn al vlak bij de ree, waar
tal van schepen ten anker liggen. Het ligt er vol.
Daar komt hij, de oude schoenerbrik. Er komen uit de
haven al sloepen om hem te assisteeren, ze merken wel
dat het binnenkomende schip avarij heeft. Gister avond
is hij al „gerapporteerd" boven van den vuurtoren, en ook
door visscherlui die voor het slechte weer naar binnen
waren geloopen , en die hem gisteravond buiten het gat
hadden gezien. Ze begrijpen nu wel dat „die Engelschnian"
het van nacht zeker hard te verantwoorden heeft gehad." —
Asjeblieft hoor !
Nu, daar komt hij aan, hij loopt over de ree in dit
oogenblik. Jan heeft alle zeilen geborgen, en loopt nu,
zooals we dat noemen , ,.voor top en takel" zonder zeilen
over de reê. Toch loopt het schip hem nog veel te hard,
want het is een heele kunst, om tusschen al die schepen
door te sturen , die hier ten anker liggen, en waarvan het
volk allemaal aan dek komt loopen om te kijken naar den
vrind die daar uit zee komt en zwaar lek schijnt te zijn,
want men ziet ze daar aan boord „pompen en pompen
maar," zoo hard als ze kunnen . . .
Houdt moed maar! Het varken is op een oor na ge-
vild ......! Ofschoon . . ja . . nu komt nog het mooie-
lijkste, want nu moeten ze hem de haven in zien te „prak-
kiseeren".--„Ouwe Jan" begint er al zoetjes aan naar
toe te houden, hij werkt al met het roer, en vooruit staan
ze klaar om, als hij het zegt, een stagzeiltje te hijschen.—
„Voor het 'makkelijke draaien, zie je ... . F"
De twee groote havenhoofden , die een eind naar buiten