Boekgegevens
Titel: De bloemlezing uit Nederlandsche prozaschrijvers
Deel: 6e stuk Van C.E. van Koetsveld tot A.S.C. Wallis / verz. door J. ten Brink
Auteur: Kampen, Nicolaas Godfried van; Veegens, Daniel; Brink, Jan ten
Uitgave: Amsterdam: P.N. van Kampen & zoon, 1882
Auteursrechten: Zie auteursrechten
Citeerinstructie: Bijzondere Collecties van de Universiteit van Amsterdam, UBM: IWO 1091 J 11 (6)
URL: https://schoolmuseum.uba.uva.nl/bookid/LCSM_203664
Bekijk als:      
Scan: Afbeeldinggrootte:
   De bloemlezing uit Nederlandsche prozaschrijvers
Vorige scan Volgende scanScanned page
109
kunnen we 't zoo meteen wel bezeilen, als we door het
Visschermansgeultje naar binnen durven loopen."
Dat „visschermansgeultje," waarvan Jan sprak, was een
ondiep vaarwater, waardoor anders zelden schepen passeer-
den, omdat er gewoonlijk te weinig water stond. Alleen
visscherlui of heel kleine vaartuigen liepen er soms door
naar binnen. Maar, „we moeten het wagen" zei Jan, „als
we het lek niet meester kunnen worden." — Nu, dat
duurde niet lang, of het bleek, dat ze 't werkelijk ,,moesten
wagen," want al pompten ze nog zoo hard , het water werd
meer in plaats van minder. En dus, ze maakten eerst
nog een goeden „gang" nU den wal, toen weer over stag,
en toen .... „Nu moet het wezen" zei Jan, en begon
tegelijkertijd hevig op de tabak te kauwen, die hij in zijn
mond had, want nu kwam het er op aan. Daar gaat het, hoor !
Ze laten voor een oogenblik de pompen staan , het roer
wordt langzamerhand een weinig te loevert gelegd, de ra's
worden opgehaald, ze houden af vóór de zee, en ... .
„Ouwe Jan" stuurt met de schoenerbrik brutaal recht op
het visschermansgeultje aan.
Da;-r gaat het. Dat 's geen kleinigheid, om met zoo'n
zee en met zulk een weer — want het waait nog altoos
van raak'em .... om nu een schip door zoo'n onnoozel
geultje naar binnen te sturen.... Dat 's geen alledaagsch
werk !
Daar staat hij, de „ouwe Janmet zijn reusachtige
handen om de spaken van het stuurrad. Zenuwachtig,
bijna kwaadaardig kauwt hij op zijn pruim tabak; dezelfde
nog van gister avond. Ku komt het er op aan ! Hij heeft
zijn oogen tegelijkertijd overal, op het schip dat hij stuurt
en dat nu met vaart voor de zee wegloopt, — op den wal
waar ze nu vlak op aan loopen , op de tonnen en .... op
de merken van den wal die ze nu achtereenvolgens begin-
nen te zien, zooals b. v.: de oude toren van Hilligermond,
die met zijn stompen kop uit de duinen komt kijken , en
dan de molen, een eindje daar van daan, en die nu op
oogenblik nog zonder zeilen draait •— zoo hard waait
het nog . . . !
Jan ziet alles te gelijk en zegt nu hoegenaamd niets;
hij geeft zelfs geen antwoord als ze hem iets vragen; dan
bromt hij alleen maar wat binnens monds.
't Gaat alles goed , hij komt net precies waar liij wezen
wil, hij stuurt door het geultje heen, tot dicht bij do vierde
ton, waar hij in het groote vaarwater moet komen. Maar,