Boekgegevens
Titel: De bloemlezing uit Nederlandsche prozaschrijvers
Deel: 6e stuk Van C.E. van Koetsveld tot A.S.C. Wallis / verz. door J. ten Brink
Auteur: Kampen, Nicolaas Godfried van; Veegens, Daniel; Brink, Jan ten
Uitgave: Amsterdam: P.N. van Kampen & zoon, 1882
Auteursrechten: Zie auteursrechten
Citeerinstructie: Bijzondere Collecties van de Universiteit van Amsterdam, UBM: IWO 1091 J 11 (6)
URL: https://schoolmuseum.uba.uva.nl/bookid/LCSM_203664
Bekijk als:      
Scan: Afbeeldinggrootte:
   De bloemlezing uit Nederlandsche prozaschrijvers
Vorige scan Volgende scanScanned page
108
den lijboeg, dus, tijd genoeg. — Laat dat nu maar aan
mij over. Niks te doen. AU right" — Jan stond bijna
den beelen nacht zelf aan het roer. Alleen ging hij van
tijd tot tijd er eens even af, om te looden (hoeveel water
er stond). Dat vertrouwde hij „den Engelschman" niet toe,
dat deed hij liever zelf, want. . . daar kwam het nu vooral
op aan. 't Was pikkedonker, ze konden geen hand voor
de oogen zien; en dus , op het lood en op de vuren van
den wal . . . daarop moesten ze vertrouwen, en daarop
moesten ze 't gaande houden. — 't Woei hard en er liep
een hooge zee, zoodat ze niet zoo heel veel zeil konden
voeren, maar toch hielden ze er zooveel doek op, alsmaar
eenigszins mogelijk was, om maar vaart te loopen, en zoo
weinig mogelijk af te drijven, de bocht in.
Zoo hielden ze 't gaande dien nacht. Jan had wel oogen-
blikken , dat hij erg zenuwachtig op de tabak begon te
kauwen, want iederen keer als hij naar het kompas keek
en het vuur van Ililligermond in de peiling nam, zag hij
dat ze langzamerhand dieper in de bocht werden gezet,
maar toch zei hij maar altoos tegen den „captain": „AU
right — niks te doen — necer mind" — Dat was al, wat
hij zei, dien heelen nacht. Hij keek maar, en stuurde en
was steeds met het lood in de weer.
En het ging allemaal goed, tot tegen den morgen toen
het zoo'n beetje licht begon te worden. Daar komt in eens
de stuurman naar achteren loopen, en komt vertellen, dat
de ouwe schoenerbrik hard „water begint te maken". Lek
als een mandje. Ku, dat was geen wonder na het zware
zeilen dat ze den heelen nacht gedaan hadden ; het vaar-
tuig was niet nieuw meer.
Wat nu ? Natuurlijk , allehens aan de pomp. Alles wat
beneden in de kooi lag, er uit, aan dek, en aan de pomp.
De dikke kapitein , die nu weer heelemaal nuchter was,
trok „zijn spullen" uit en stond ook in zijn hemdsmouwen
aan de pomp. Dat is frisch, zoo in den morgen. Ja , dat
is het, maar het pompen helpt niet veel; het water bene-
den in het ruim blijft op ééne hoogte. Enfin, zoolang als
het niet meer wordt, is het niets, want de wind begint
te ruimen en het weer begint met den dag heel wat hand-
zamer te worden.
„Als het een beetje wil, dan kunnen we hem straks wel
naar binnen prakkiseeren," zegt Jan tegen den kapitein.
„We zullen eerst nog een slag naar buiten maken, en dan