Boekgegevens
Titel: De bloemlezing uit Nederlandsche prozaschrijvers
Deel: 6e stuk Van C.E. van Koetsveld tot A.S.C. Wallis / verz. door J. ten Brink
Auteur: Kampen, Nicolaas Godfried van; Veegens, Daniel; Brink, Jan ten
Uitgave: Amsterdam: P.N. van Kampen & zoon, 1882
Auteursrechten: Zie auteursrechten
Citeerinstructie: Bijzondere Collecties van de Universiteit van Amsterdam, UBM: IWO 1091 J 11 (6)
URL: https://schoolmuseum.uba.uva.nl/bookid/LCSM_203664
Bekijk als:      
Scan: Afbeeldinggrootte:
   De bloemlezing uit Nederlandsche prozaschrijvers
Vorige scan Volgende scanScanned page
107
Nog juist bij tijds ? . . , . Neen , niet heelemaal, vrant
de wind was aan *t krimpen , cn het begon hoe langer hoe
harder te waaien; sakkerloot! het woei zoo hard dien
nacht, en ze waren nu veel te dicht onder de kust. — Ze
konden over dezen boeg eerst wel een eind den wal uit-
zeilen en dan hadden ze eerst wat meer ruimte, maar . . .
lang duurde dat niet, want dan kwamen ze weer terecht
op een ander punt van de kust. Vóór dien tijd moesten
ze andermaal over stag, om over den anderen boeg (met
den wind van de andere zij , zooals ze in den beginne
lagen) weer een eind door te zeilen, totdat ze opnieuw
daar weer te dicht onder den wal kwamen. Zoo moesten
ze steeds heen en weer; dan over den eenen en dan weer
over den anderen boeg. Steeds heen en weer, en zorgen
zooveel mogelijk van den wal af te blijven, dien ze nu
onder de lij hadden en waarvan ze de lichten maar al te
duidelijk konden zien. — De kust maakt daar bij Hilli-
germond een soort van een bocht. Ze noemen het wel eens
de „hoekzak," of ook wel „de groote zeemans ellende," —
Nu, die laatste naam is dikwijls maar al te waar, want
als de wind er op staat, zakt men , al heen en weer krui-
pende , hoe langer hoe dieper de bocht in, totdat men
eindelijk boven op het strand terecht komt, als de wind
niet verandert. In die bocht is al menigeen „gebleven,"
en de ouwe schoenerbrik had het dien nacht ook hard te
verantwoorden en al zei „ouwe Jan" ook tegen den „captain':
„Nog niks te doen, kaptein , never mind, er is nog geen
gevaar," toch was er wel degelijk gevaar, en dat wist Jan
ook heel goed, maar, zooals hij later vertelde, hij zei dat
maar, „om die menschen een beetje in de bedaardheid te
houden." De toestand was nu in eens heelemaal anders
geworden, de borden waren in eens verhangen, Jan was
baas geworden van het schip en zei „Never mind ," en de
kaptein . . . zei niets.
Het was al laat in den avond , toen ze weer over stag
moesten. De lichten van dat punt van de kust, waarvan
ik boven sprak , hadden ze al een poosje in 't vizier gehad.
De Engolsche kapitein wou al dadelijk over stag toen hij
de lichten zag, want, zooals Jan zei, „die was nu een
beetje spookerig geworden voor de lichten van den wal."-—
Maar daar wou Jan niet van weten. „Nog niet, kapteintje",
zei hij , „'t is nog te vroeg, we kunnen hier tot dicht onder
den wal doorloopen en we hebben hier den stroom onder