Boekgegevens
Titel: De bloemlezing uit Nederlandsche prozaschrijvers
Deel: 6e stuk Van C.E. van Koetsveld tot A.S.C. Wallis / verz. door J. ten Brink
Auteur: Kampen, Nicolaas Godfried van; Veegens, Daniel; Brink, Jan ten
Uitgave: Amsterdam: P.N. van Kampen & zoon, 1882
Auteursrechten: Zie auteursrechten
Citeerinstructie: Bijzondere Collecties van de Universiteit van Amsterdam, UBM: IWO 1091 J 11 (6)
URL: https://schoolmuseum.uba.uva.nl/bookid/LCSM_203664
Bekijk als:      
Scan: Afbeeldinggrootte:
   De bloemlezing uit Nederlandsche prozaschrijvers
Vorige scan Volgende scanScanned page
106
En het volk zong ook een deuntje meê: „halloo, aloo,
aloo!...." O, het was zoo'n pleizierige boel daar aan
boord. Er ging er een rond met de flesch; die wat hebben
wou, kon wat krijgen. — Ze kwamen ook bij Jan met de
flesch : of hij wat hebben wou ?
„Wat is 't?" vroeg Jan. „Rum? Neen, dat goed lust
ik toch al niet graag — en nou heelemaal niet. Dank
je , ik zal niet gebruiken."
„Ouwe Jan" stond nog altoos maar uit te kijken naar
hen wal, en stond te kauwen op de tabak, die hij in zijn
mond had, en die hij den heelen nacht er in hield, den
heelen nacht die nu volgde. . . .
Zooals ik zei, 'twas een dikke lucht, er was geen zicht
van den wal en het begon al mooi donker te worden ,
zoodat .... als ze nu niet gauw het een of ander te zien
kregen .... maar ja, zie, vóór dat het heelemaal donker
was .... daar roept „ouwe Jan" in eens uit, zoo goed als
hij 't kon op z'n Engelsch : y^Hands wear skip! — Ready^
O, ready!" en meteen loopt hij dadelijk achteruit naar het
roer. „We moeten dadelijk over den anderen boeg, cap'
tain
„Daar .... daar .... zie, kijk dan! . .. . daar heb je de
branding van de Robbeplaat, we zijn te laag, we kunnen
't niet meer bezeilen .... en de wind schraalt ook nog . . .
we kunnen niet meer naar binnen .... Kijk, daar heb je
den heelen wal al ... . nou kan je 't duidelijk zien ....
daar heb je 't licht van Hilligermond."
Jawel, of ze het zagen , asjeblieft hoor ! en heel duidelijk
ook .... Een heele witte streep, en niet zoo heel ver
meer weg. Ze zagen de branding.... — Dat was die
witte streep. ~ Lieve hemel, M'at een geschreeuw in eens ;
een lawaai alsof ze er al boven op zaten. ,,Let go your
anchor! — We must go about! — Down your topsail!'* — Al-
lemaal tegelijk , en van alles door elkaar. — „Heila!" riep
ouwe Jan , „maak nou maar zoo'n mirakel niet, we zitten
er nog niet op ... . All right j let go! , never mind! . . . .
Wees bedaard asjeblieft, en schreeuw niet zoo op z'n En-
gelsch . . . We hebben nog ruimte genoeg . . . Wear ship
asjeblieft!... Ready !... Zie zoo ... daar gaathij al----"
Daar ging hij al, de ouwe schoenerbrik .... De achter-
zeilen geborgen , toen draaien „vóór den wind om ," daarna
weer bijsteken over den anderen boeg, loeven tot hij weer
„bij den wind" lag en toen met „kracht" van zeil den wal
uit. Maak dat je weg komt!