Boekgegevens
Titel: De bloemlezing uit Nederlandsche prozaschrijvers
Deel: 6e stuk Van C.E. van Koetsveld tot A.S.C. Wallis / verz. door J. ten Brink
Auteur: Kampen, Nicolaas Godfried van; Veegens, Daniel; Brink, Jan ten
Uitgave: Amsterdam: P.N. van Kampen & zoon, 1882
Auteursrechten: Zie auteursrechten
Citeerinstructie: Bijzondere Collecties van de Universiteit van Amsterdam, UBM: IWO 1091 J 11 (6)
URL: https://schoolmuseum.uba.uva.nl/bookid/LCSM_203664
Bekijk als:      
Scan: Afbeeldinggrootte:
   De bloemlezing uit Nederlandsche prozaschrijvers
Vorige scan Volgende scanScanned page
105
tain" niets aan te doen, hij wou met alle geweld naar
binnen en zei dat hij dan zelf zijn schip wel naar binnen
zou loodsen. „O," zei Jan „dat's niet noodig, kaptein,
ik weiger mijn dienst niet als loods, maar ik waarschouw
je alleen maar." Maar de kaptein hoorde hem al niet
meer, de Engelschman liep naar achteren, haalde het roer
op, liet volbrassen, en stuurde toen op het kompas recht
den wal in.
Daar ging de schoenerbrik, hij liep ruim van den wind
weg.
Toen Jan ook achteruit liep en op het kompas keek,
zag hij, dat ze te „laag" stuurden om de „Uiter-ton" nog
te kunnen bezeilen (— de buitenste ton van het zeegat —).
Hij ging weer naar den kaptein om dit te zeggen , maar
die liet hem niet eens aan het woord komen; ze deden
nu net alsof hij heelemaal niet aan boord was en gingen
hun gang, zonder van den loods eenige notitie te nemen.
„Nou in s hemelsnaam dan," zei Jan, „ik kan er niks meer
aan doen." — Hij haalde zijn „ouwe repieter" uit, keek
eens hoe laat het was , en nam toen zijn tabaksdoos, waar-
uit hij eene hoeveelheid tabak in zijn mond stak, twee
keer zooveel als anders. Dat was zoo ziin gewoonte , wan-
neer hij dacht dat er „moeielijke oogenblikken" in aantocht
waren. Dan nam hij een reusachtige pruim tabak in zijn
mond en begon daar zenuwachtig op te kauwen.
Hij „posteerde" nu zich zelf vooruit op den bak, om uit
te kijken naar de „merken" van den wal, die ze nu gauw
in 't zicht moesten krijgen. Als het zoo'n dikke lucht niet
was, hadden ze de kust nu al in 't vizier gehad, maar
het was dik , vuil, smerig weer van het Zuidwesten , en
het begon ook al een beetje donkerder te worden; 't was
tegen het vallen van den avond. Het begon ook harder
te waaien : de zaken lieten zich niet best aanzien, en Jan
dacht bij zichzelf; „Dat kon wel eens een leelijke nacht
voor mij worden.
Nu , dat werd het ook. Het weer nam hand over hand
toe, en de schoenerbrik begon hoe langer hoe harder te
loopen, want aan „zeilminderen" .... daar werd niet aan
gedacht. De Engelsche kaptein zat naast het roer, plat
op het dek, en gooide van tijd tot tijd maar weer een
glaasje naar binnen, in zijn dikke lichaam. En dat smaakte
lem best, hij werd hoe langer hoe pleizieriger, hij zong
er bij in *t laatst en zwaaide met zijn hand: „Halloo,
halloo, halloooooh! .... hi, ho, ha — ho , ha, ho ...