Boekgegevens
Titel: De bloemlezing uit Nederlandsche prozaschrijvers
Deel: 6e stuk Van C.E. van Koetsveld tot A.S.C. Wallis / verz. door J. ten Brink
Auteur: Kampen, Nicolaas Godfried van; Veegens, Daniel; Brink, Jan ten
Uitgave: Amsterdam: P.N. van Kampen & zoon, 1882
Auteursrechten: Zie auteursrechten
Citeerinstructie: Bijzondere Collecties van de Universiteit van Amsterdam, UBM: IWO 1091 J 11 (6)
URL: https://schoolmuseum.uba.uva.nl/bookid/LCSM_203664
Bekijk als:      
Scan: Afbeeldinggrootte:
   De bloemlezing uit Nederlandsche prozaschrijvers
Vorige scan Volgende scanScanned page
104
een oordeel. „Halloo, old Dutchman^ ouwe Hollander, old
jiilot, how are you,*' en meer van die „komplimenten."
Nu, Jan zei er niet veel op, hij was gewoonlijk, wanneer
hij als loods aan boord van een schip kwam, niet erg
„praatlustig" en nu .... heelemaal niet. „Dat's weer mis
dacht hij bij zich zelf, „die hebben weer de nattigheid in
hun lichaam."
Och, dat had hij wel meer gezien, en niet alleen
aan boord van Engelsche schepen , dat ze aan boord van
een schip als hot onder den wal komt, een glaasje extra
gebruiken. „Voor het koude weer, zie je," cn , om wat
meer „courage ," wat meer „durf" te hebben in het lich-
aam , als het noodig mocht wezen.
Ku, „courage" hadden ze hier aan boord genoeg.
De kapitein kwam dadelijk naar Jan toe. Het was „zoo'n
dikke, vette kerelhij kon „van de vettigheid haast niet
;)ratenen hg had 'em ook al naar behooren geraakt,
lij stond niet al te vast meer op z'n beenen. „Aha, old
Dutchman ^ how are you, old boy F En hij klopte Jan op zijn
schouder. Nu, dat vond Jan heelemaal niet pleizierig;
zulke Eransche komplimenten , van op den schouder klom-
pen en zulke dingen , dat mocht hij heelemaal niet. „Goei-
jen avond" zei Jan, „dank je, van 's gelijken ," maar toen
liet hij er dadelijk op volgen : „We moeten volbrassen,
kaptein, — een eindje doorloopen en dan over stag, we
moeten maken dat we den wal uitkomen."
„Den wal uit? O, heere, wat!? Den wal uit?" Neen
neen , dat niet, daar wou de ,,captain' niets van weten :
„I'll put her in'* zei hij, „ik wil naar binnen."
„Dat kan niet, kaptein," zei Jan, „we kunnen van
avond niet meer naar binnen, 't Is te laat, en we krijgen
vuil weer van nacht, dat kun je immers zelf wel zien . .
„Halloo, what! old fellow^ ouwe Hollander," zei de cap-
tain. — y.Kever mind! — Jij bent bang, old Dutchman.**
„Bang ?" zei Jan, en hij keek den Engelschman vlak in
zijn gezicht. „Bang ? Net zoo min als jij, maar het is
mijn plicht om je te waarschuwen."
in dat oogenblik had Jan dien Engelschen dikzak graag
een „peuter" willen geven, want hij werd niet graag „ge-
affronteerd maar als men loods is mag men tot zulke
„werktuigelijkheden" natuurlijk niet overgaan; hij hield
zich in de bedaardheid en zei nog eens een keer, dat het
beter was om naar buiten te sturen en gedurende den
nacht op zee te houden. Maar, daar was met den „cap-