Boekgegevens
Titel: De bloemlezing uit Nederlandsche prozaschrijvers
Deel: 6e stuk Van C.E. van Koetsveld tot A.S.C. Wallis / verz. door J. ten Brink
Auteur: Kampen, Nicolaas Godfried van; Veegens, Daniel; Brink, Jan ten
Uitgave: Amsterdam: P.N. van Kampen & zoon, 1882
Auteursrechten: Zie auteursrechten
Citeerinstructie: Bijzondere Collecties van de Universiteit van Amsterdam, UBM: IWO 1091 J 11 (6)
URL: https://schoolmuseum.uba.uva.nl/bookid/LCSM_203664
Bekijk als:      
Scan: Afbeeldinggrootte:
   De bloemlezing uit Nederlandsche prozaschrijvers
Vorige scan Volgende scanScanned page
twee stoelen gereed, waarvoor wij vriendelijk bedankten.
Het was duidelijk, dat men dit gewacht had: het werd
niet voor de tweede maal gevraagd. Ondertusschen waren
meid en knecht binnen gekomen, en de eerste zat, de
laatste stond als een standbeeld. De ouderling nam zijn'
hoed af: — dit was een vriendschappelijke wenk, dat ik
het ook zou doen ; — de mannen des huizes volgden, de
vrouwen sloegen de oogen neder en vouwden de handen.
Mijne keel was beklemd. Gelukkig viel mijn oog op mijn
zakboekje, en ik vroeg nog eens, schoon ik ze lang wist,
naar al de namen. Hierdoor werd mijne tong los gemaakt,
zoodat ik de formule kon uitbrengen, die ik reeds vijftig
maal bij mij zei ven had opgezegd: „Gij kent de reden van
mijne komst; gij weet, dat het binnen kort avondmaal is;
wij vertrouwen , dat gij het belang van die plechtigheid ge-
voelt , enz. enz." — De huisvader zeide zeer afgemeten :
„Ik dank je wel, Dominé!" en vervolgde terstond: „Gij
treft geen mooi weer bij den ommegang." — De huismoeder
had hare oogen weder opgeslagen , en vervolgde haar werk
aan een' half gescheiden aardappel; meid en knecht gingen
heen, zonder iets anders te doen, dan heen te gaan; en
zoo — was dit huis bezocht.
En wat zoudt gij mij nu verder vergezellen , mijn lezer?
Het is alles: da capo! en nog eens: da capo! van huis
tot huis.
Evenwel, er waren enkele uitzonderingen.
In de eerste plaats die huizen, die van ouds als geschikte
rustpunten waren uitgekozen, en waar een blaadje met
eenige dikke sneden koek, benevens een groote koÜijkan,
aanduidden, dat er de stoelen niet voor de leus waren
gereed gezet. Zoodra dan ook hier de gewone aanspraak
gedaan was, scheen ieder wel tevreden, dat de goede God
nu het zijne had gehad, en het overige was een bezoek als
alle andere bezoeken.
Eene tweede uitzondering maakten die huizen , waarvan
mijn ouderling mij te voren had gezegd: „Deze menschen
zijn voor het goede." Hier wachtte ons een godsdienstig
gesprek. Of neen, een eigenlijk gesprek kan ik het niet
noemen. Het was eene zekere repliek, in treurigen klaag-
en preektoon , in plaats van het gewone: „Dank je wel;"
eene repliek, even stijf en onnatuurlijk, maar nog een
weinig meer gerekt, dan mijne aanspraak. Antwoord werd
er overigens niet op gewacht. Ik had ook wel mogen zeg-
gen: „Dank je wel."