Boekgegevens
Titel: De bloemlezing uit Nederlandsche prozaschrijvers
Deel: 6e stuk Van C.E. van Koetsveld tot A.S.C. Wallis / verz. door J. ten Brink
Auteur: Kampen, Nicolaas Godfried van; Veegens, Daniel; Brink, Jan ten
Uitgave: Amsterdam: P.N. van Kampen & zoon, 1882
Auteursrechten: Zie auteursrechten
Citeerinstructie: Bijzondere Collecties van de Universiteit van Amsterdam, UBM: IWO 1091 J 11 (6)
URL: https://schoolmuseum.uba.uva.nl/bookid/LCSM_203664
Bekijk als:      
Scan: Afbeeldinggrootte:
   De bloemlezing uit Nederlandsche prozaschrijvers
Vorige scan Volgende scanScanned page
103
en als je dorst heb van je eigen, dan is het een vervelend
gezicht, om er naar te kijken.
Ik las nog eens een keer, en weer een beetje harder,
met meer hoogte van toonklank : Ga tot de mieren , gij —
onverbeterlijke luiaard! — Hm. . . .? Neen hoor, niks in
't zicht, het theelepeltje lag slap in haar handen ; in de
rechterhand had ze het .... Ik denk, weet je wat —
ik ... . als ik eens probeerde om me zelf maar even in te
schenken . . . . ? En dan weer gaan zitten ; met een leuk
gezicht, net alsof er niks gebeurd was. Ja , dat kon wel. —
Maar voorzichtig! Goed, best. — Ik krijg een kopje, en
met de rechterhand krijg ik de theepot .... (onder de
hand een oog in 't zeil, natuurlijk) .... 't Gaat alles
goed, ik schenk in ... . maar, net, dat ik de theepot weer
zóó op het kumfoortje wil zetten .... daar valt haar hot
theelepeltje uit de handen , ze krijgt een schrik ! ze wordt
wakker, en — doei in eens heelemaal de oogen open ....
„Heere Jan !" zei ze ... . en toen had je *t aan de gang,
maar toen begon ik ook, want toen werd ik dan toch in
eens zoo pieterselie-achtig nijdig, dat .... ik nam de thee-
Sot met al Avat er in was, en ik smeet de heele santomedie,
wars over den vloer, door de kamer heen. — Ja hoor
eens, ik ben anders van geen kwade natuur, maar je moet
een mensch niet tot het uiterste drijven , en ik was zoo
krimineel nijdig, dat ik liep kwaad de deur uit en ik
kwam den heelen avond niet terug.... Gek ? Ja, dat
is het, maar zóó was het en niet anders. Allemaal van
d.en dorst, zie je, niks anders als dorst. — Nu, het
beste! — Van 's gelijken ! — Vallen je anker! We zijn
er. — Nu weer wat anders."
Een dag of wat na deze huiselijke oneenigheid, had Jan
zijn „maleur met den Engelschman", zooals hij het ge-
woonlijk noemde.
Het was in het najaar van het jaar 1800 en zóóveel
stormachtig weer van het Zuidwesten, met een vuile»
dikke lucht, zoodat er buiten in de Noordzee haast geen
zicht was te krijgen van den wal of van 't geen ze anders
in 't vizier wouen hebben.
Tegen het vallen van den avond was „ouwe Jan" met
de loodsboot op zij gekomen van een kleine Engelsche
schoenerbrik, die onder den wal zat en naar binnen wou.
Dadelijk, toen hij aan boord kwam, merkte hij wel, dat
het op dat vaartuig een rare huishouding was. Ze schreeuw-
den allemaal door elkaar; een roepen en een lawaai als