Boekgegevens
Titel: De bloemlezing uit Nederlandsche prozaschrijvers
Deel: 6e stuk Van C.E. van Koetsveld tot A.S.C. Wallis / verz. door J. ten Brink
Auteur: Kampen, Nicolaas Godfried van; Veegens, Daniel; Brink, Jan ten
Uitgave: Amsterdam: P.N. van Kampen & zoon, 1882
Auteursrechten: Zie auteursrechten
Citeerinstructie: Bijzondere Collecties van de Universiteit van Amsterdam, UBM: IWO 1091 J 11 (6)
URL: https://schoolmuseum.uba.uva.nl/bookid/LCSM_203664
Bekijk als:      
Scan: Afbeeldinggrootte:
   De bloemlezing uit Nederlandsche prozaschrijvers
Vorige scan Volgende scanScanned page
mm
102
of onze klok bijgeval ook .... ? ten achteren was____?
Maar neen , 't was iederen keer precies eender. — Jongens ,
jongens, zoo'n klok .... die kan je zoo kremmeneurig aan-
kijken .... als je hem graag vooruit wilt hebben .... —
En moeder de vrouw was nog altoos in een diepe rust. . .
en ik ... . ik weet niet hoe het kwam .... maar ik had
dan zoo'n razenden zin in een kopje thee , en met de le-
zerij wou het van middag heelemaal niet lukken. — Dorst,
zie je, niks anders als dorst, daar zat het 'em in.
Eindelijk , ja . . . . 't Ouwe mens wordt wakker, ze doet
haar oogen open, de kopjes gaan uit elkaar, en ik denk ;
„Ziezoo, zoover bennen we dan toch." 3k leg een vouwtje
in mijn boek waar ik gebleven was, leg Bunjan op de
tafel, zet mijn bril af en denk: nu zullen we dan toch
meteen wat krijgen. Ik peuter onder de hand met een
onverschillig gezicht een beetje in het vuur en neurie zoo-
wat op mijn manier, en eindelijk .... ja toen kijk ik eens
om en denk .... dat er al een kommetje voor mij klaar
zal staan, maar, jawel, daar draai ik me om en ik kijk . . .
en daar is ze waarachtig achterover tceer in slaap gevallen. —
Wel heb ik ooit van mijn leven ! Met het theelepeltje in
de liand, net op het oogenblik dat ze het sienjaal wou
geven ; de schoteltjes, met de kopjes er op, stonden klaar,
maar thee .... was er nog niet in. Daar lag ze; achter-
over; net alsof ze nog heelemaal niet geslapen had, —
Kou, toen begon ik dan toch mijn geduld te verlieien.
]k denk, wat moet je nou doenp — Wakker maken?
Dat heeft ze niet graag. — Als ik eens een beetje hardop
ging lezen, een beetje harder dan anders .... Dan werd
ze misschien van haar eigen en van zelf wel weer wakker.
Nu, dat deed ik. — Ik neem Bunjan, en ik begin te
lezen, nogal tamelijk hard.
iyGa — tot de mieren — gij — luiaard T Dat was puur
toevallig, dat er dat juist op de bladzij stond, die ik
opsloeg. Of .... misschien .... was het ook wel niet
toevallig, dat ik net precies het boek op die hoogte
open moest doen. Maar ik deed het er niet om, dat
's zeker.
„Ga tot de mieren , gij —■ luiaard !" Nu maar , het gaf
niks hoor ; ze vertrok geen spier van haar gezicht. Ze
knikte alleen een beetje met het hoofd en dan lag ze weer
achterover, met den mond heelemaal open en een hooge
kleur op haar gezicht. Als zoo'n dikke vrouw in den
slaap is, dan kunnen ze soms zoo'n roode kleur hebben,