Boekgegevens
Titel: De bloemlezing uit Nederlandsche prozaschrijvers
Deel: 6e stuk Van C.E. van Koetsveld tot A.S.C. Wallis / verz. door J. ten Brink
Auteur: Kampen, Nicolaas Godfried van; Veegens, Daniel; Brink, Jan ten
Uitgave: Amsterdam: P.N. van Kampen & zoon, 1882
Auteursrechten: Zie auteursrechten
Citeerinstructie: Bijzondere Collecties van de Universiteit van Amsterdam, UBM: IWO 1091 J 11 (6)
URL: https://schoolmuseum.uba.uva.nl/bookid/LCSM_203664
Bekijk als:      
Scan: Afbeeldinggrootte:
   De bloemlezing uit Nederlandsche prozaschrijvers
Vorige scan Volgende scanScanned page
101
Nu , dan gaan we twee keer naar de kerk ; ik loop altoos
Toorop , cn zij er achter. — En dan , na de namiddagspreek ,
dan neemt de vrouw het Zondaagsche theeservies en ze
zot de thee; niet al te sterk, daar houdt ze niet van. —
Als de thee gezet is , dan gaat ze heel gemakkelijk achter
het theeblad zitten ; erg op haar gemak. Dan geeuwt ze
eens een keer, knipt met de oogen en kijkt nog zoo'n
beetje met halve kracht over het theeblad heen .... en
dan .... knikt ze met het hoofd voorover, en valt zoo
langzamerhand in slaap. En ondertusschen statlt de thee
te trekken , zoo hard als het van z'n eigen wil; met het
lichtje er onder.
Als het nu zomer is, dan zit ik in dien tijd buiten,
vóór het huis naast de deur. Daar heb ik dan zoo'n laag
stoeltje, daar heb ik van onderen do pooten een beetje
afgezaagd. Daar zit ik dan op; ook dood op m'n gemak
en in mijn hemdsmouwen, op z'n Zondaags; en ik rook
een pijp tabak, of ik kijk een beetje, maar ik doen eigen-
lijk niks. — Dat 's ook wel eens pleizierig voor een keer. —
Dat duurt dan zoo lang, totdat ik binnen in de kamer
geluid hoor van kopjes en schotels, en , heel kort daarop ,
tikken met een lepeltje: „tik — tik — tik." „Iluila
roep ik dan, „ja wol, ik kom er aan." Zie je; dat is dan
het sienjaal, dat er thee te krijgen is. — Dan ga ik naar
binnen.
Zoo gaat het bij ons iederen Zondag. Alleen maakt het
een uitzondering, als het winterdag is, of smerig weer,
als ik niet buiten kan zitten. Dan heb ik mijn positie
natuurlijk binnen bij de kachel en ik peuter een beetje in
het vuur, of ik lees een stukje; dat wil Wc ook wel eens
doen. Ik heb dan zoo'n boek, dat heet „liunjan's Pelgrims
Peize." — Jawel, dat is een mooi stuk werk, waar een
mensch een heele boel uit kan leeren. — Die zaak is ge-
zond. — En, zie, om nu maar in eens voorgaats te ko-
men , —■ op die Zondag, die ik nu op het oog heb , dat
was in den winter en toen zat ik ook weer te lezen in
Bunjan; maar---- ik weet niet hoe het kwam, maar het
beviel mij dien middag lang zoo goed niet als anders, want
ik had zoo'n krimineelen dorst. — Ja, daar mag je nu mis-
schien om lachen, maar — dorst, dat's een leelijk ding;
een mensch is zwak van z'n eigen natuur, cn de dorst —
die kan hem lieelemaal regeeren. Dat kan ik je bewijzen.
Ik had al een keer of wat op mijn ouwe repieter {dat's
m'n horloge, — repertitia) op m'n ouwe repieter gekeken ,