Boekgegevens
Titel: De bloemlezing uit Nederlandsche prozaschrijvers
Deel: 6e stuk Van C.E. van Koetsveld tot A.S.C. Wallis / verz. door J. ten Brink
Auteur: Kampen, Nicolaas Godfried van; Veegens, Daniel; Brink, Jan ten
Uitgave: Amsterdam: P.N. van Kampen & zoon, 1882
Auteursrechten: Zie auteursrechten
Citeerinstructie: Bijzondere Collecties van de Universiteit van Amsterdam, UBM: IWO 1091 J 11 (6)
URL: https://schoolmuseum.uba.uva.nl/bookid/LCSM_203664
Bekijk als:      
Scan: Afbeeldinggrootte:
   De bloemlezing uit Nederlandsche prozaschrijvers
Vorige scan Volgende scanScanned page
100
Zooals we straks zullen zien, was „ouwe Jan" buiten
op het water en aan boord van een schip „als het er op
aankwam," als er gevaar was, — een flinke kerel; maar
thuis ... bij moeder de vrouw, — daar had hij niet veel
te vertellen. Jan zat onder de plak van zijn vrouw; dat
is zoo, dat was niet anders. Zoover ik weet, is hij maar
één keer tegen deze overheersching in opstand gekomen,
cn dat was op den Zondag, die voorafging aan die episode
uit zijn leven , waarvan ik u straks iets vertellen wil.
Om u een goed idee te geven van deze huiselijke on-
eenigheid, en u tevens een blik te gunnen in het „intieme
leven van Jan Hallema en zijne vrouw, zal ik ouwe Jan
zelf dit „maleur" laten vertellen. Het is dus Jan Halle-
man, die spreekt over: zijne oneenigheid met moeder de
vrouw.
„Het toeval, zooals de mensch dat wel eens zegt, maar
er is eigenlijk geen toeval nietwaar? —het toeval, zullen
we dan zoo maar eens zeggen , dat wou , dat ik juist Zondaags
te voren een beetje oneenigheid had gehad met moeder de
vrouw. O! we kunnen anders best met elkaar over weg;
daar wil ik geen kwaad van zeggen. Maar, zij heeft alle-
maal van die vaste regelementen en dat kan wel eens lastig
wezen. Ze heeft het vooral te doen met de zindelijkheid \
ze is erg zindelijk. Als ik uit zee thuis kom, en ik doen
de deur maar even open, dan hoor ik al dadelijk van ach-
teren uit de verte roepen, uit het keukentje achter in het
huis : „Jan , de leerzen uit!" — Jawel, zeg ik dan , ja ,
, a, ja ... . Stil maar, de zaak is gezond, ze gaan al uit
loor !"
Och, dat moet je dan maar doen , want inwendig is ze
dood goed, en het is nogal een zware, breede vrouw; ze
is nogal dik van haar eigen; met zulke vrouwspersonen
moet je altoos voorzichtig wezen , dat je z8 niet kwaad
maakt. Men kan nooit weten wat zoo iemand overkomt.
Maar, om nu op de zaak terug te komen, zooals de
advokaten zeggen, — Zondaags, zie je, dan hebben we
zoo onze vaste gewoontes. Dan zijn we allebei op z'n
Zondaags gekleed: ik heb mijn zwarten hoed op m'n hoofd,
en zij licht ook onder de beste tuigaadje, die ze in het
kabinet heeft, met haar paraplu bij zich, en haar kerk-
boek , en dan zoowat van t een en ander om onder den
neus te houden. In de kerk , zie je , als ze slaperig wordt;
want daar heeft Z3 nogal laat van. Van de slaperigheid ,
bedoel ik ; ze is erg slaapsch; Zondaags, andere dagen niet.