Boekgegevens
Titel: De bloemlezing uit Nederlandsche prozaschrijvers
Deel: 6e stuk Van C.E. van Koetsveld tot A.S.C. Wallis / verz. door J. ten Brink
Auteur: Kampen, Nicolaas Godfried van; Veegens, Daniel; Brink, Jan ten
Uitgave: Amsterdam: P.N. van Kampen & zoon, 1882
Auteursrechten: Zie auteursrechten
Citeerinstructie: Bijzondere Collecties van de Universiteit van Amsterdam, UBM: IWO 1091 J 11 (6)
URL: https://schoolmuseum.uba.uva.nl/bookid/LCSM_203664
Bekijk als:      
Scan: Afbeeldinggrootte:
   De bloemlezing uit Nederlandsche prozaschrijvers
Vorige scan Volgende scanScanned page
99
hoofd, een paarschkleurige, wollen das om zijn hals en de
zilveren plaat van het loodswezen, het teeken van zijn
waardigheid, op de borst. Hij liep meestal een beetje
voorover en had in zijn gang iets eigenaardigs „net a s
iemand, die voortdurend tegen een harden wind in moest
loopen." Zijn groote handen had hij gewoonlijk allebei in
de twee zijzakken van zijn pyekker, die verbazend ruim
waren, net alsof ze expresselijk voor zijn handen gemaakt
waren; want zijn handen waren groot, dat is waar; en
zijn voeten ook. Over 't geheel was „Ouwe Jan" wat men
noemt, een zware, forsch gebouwde ouwe kerel. Maar,
kwaad zat er niet in, 't was een schaap van goedheid.
Alleen moest men hem niet te veel lastig vallen met praten
en vragen, wanneer hij als loods aan boord van een vaartuig
in functie was. Dan zei hij liefst zoo weinig mogelijk,
maar — hij zag des te meer; terwijl hij, voor de variatie,
van tijd tot tijd de pruim tabak in zijn mond van de eene
zij naar de andere liet wandelen , en alleen zijn rechterhand
van tijd tot tijd uit den grooten zak van zijn pyekker
haalde om hem in de hoogte te steken en den man aan
het roer een wenk te geven. „Een beetje stuurboord , as-
_eblieft.... Zoo, recht zoo! Dat 's genoeg.... Hoe
aat is het F — Half drie? — Ja, dan kunnen we zoo
meteen dadelijk naar binnen, want als we voor den drem-
pel komen , staat er al water genoeg. — Hoe laat of we
binnen komen? — Nou, dat 's beter dat we daar niet te
vroeg over spreken. — Het kan wel 'beuren dat we om
half zeven ten anker liggen, maar het kan ook wel 'beuren
dat het niet zoo is."
Gewoonlijk lag men dan ook om half zeven ten anker,
en Jan wist dat ook vrij zeker, maar — hij liet zich niet
graag uit over de „toekomst." — Hij had een bijgeloovig
gevoel, dat men door zoo iets vooruit te zeggen , de Voor-
zienigheid uitlokte om een ongeluk tusschen beiden te
brengen. „Men moet het Albestuur niet vooruitloopen
zei Jan gewoonlijk, „die weten het beter dan wij."
Ook, wat betreft de te verwachten weersgesteldheid, gaf
hij gewoonlijk een zeer diplomatiek antwoord. Dan keek
hij in de lucht, trok een bedenkelijk gezicht, wreef eens
aan zijn kin, en zei:
„Nou . . . als de lucht zóo blijft, dan kan 't wel 'beuren
dat we dat weertje een beetje houwen maggen , maar . . .
en . . . het kan ook wel 'beuren dat het anders wordt." En
met dat advies kon men naar huis gaan.