Boekgegevens
Titel: De bloemlezing uit Nederlandsche prozaschrijvers
Deel: 6e stuk Van C.E. van Koetsveld tot A.S.C. Wallis / verz. door J. ten Brink
Auteur: Kampen, Nicolaas Godfried van; Veegens, Daniel; Brink, Jan ten
Uitgave: Amsterdam: P.N. van Kampen & zoon, 1882
Auteursrechten: Zie auteursrechten
Citeerinstructie: Bijzondere Collecties van de Universiteit van Amsterdam, UBM: IWO 1091 J 11 (6)
URL: https://schoolmuseum.uba.uva.nl/bookid/LCSM_203664
Bekijk als:      
Scan: Afbeeldinggrootte:
   De bloemlezing uit Nederlandsche prozaschrijvers
Vorige scan Volgende scanScanned page
98
oever wegschuilt onder het loofdak der kloeke olmtakken.
Opwaarts, de wijde watervlakte, aan den horizon flauw
begrensd door eene smalle strook van nevelig groen. Een
scheepje hier en daar, zeilend of voor anker, stoffeert dit
echt Hollandsche lucht-en-water-partijtje. Afwaarts, de
stad — zoo schoon als elke stad schijnt, wanneer de gril-
lige lijnen van hare daken en torens zich donker afteeke-
nen op een achtergrond van glorend avondlicht.
Het gloren wordt bleeker en bleeker. Scherper en zwarter
rijst St. Laurens' domtoren aan de westerkim. Scherper
en zwarter steken de zware stammen af tegen het rimpelloos
effen van den geelgrauwen plas. De lichtjes van de Ko-
ningsbrug beginnen te flikkeren, te fonkelen , huiswaarts
te wenken.
iVfl popeia!
Eia popeia — wij komen !
Maar eerst moet het maantje opgedoken zijn uit de
twijgen, en zijne glanzende lichtbaan gespreid hebben over
den vloed.
Dan, roode gaspitten , zijn we de uwen weer. Drukke ,
onreine, meedoogenlooze stad — wij zijn weer uw slaven,
op genade of ongenade.
Mijn klein Arcadië — tot wederziens!
(Fhantasieën.)
A. WERUMEUS BTOING.
Ouwe Jan Hallema,
De man, dien ik op het oog heb, was een van de oudste
loodsen uit het zeegat van Hilligermond en werd genoemd
„ouwe Jan." Er bestaan portretten van hem, waarop hij
afgebeeld wordt in een lakensche jas, een lange Gouwsche
pijp in zijn mond, en een hoogen hoed naast hem op een
tafeltje. Zoo is hij op z'n Zondags; maar, om een waar
beeld van hem te krijgen , zoudt ge hem moeten zien in
ambtscostuum: een zware, groote, duÜelsche pyekker met
ankerknoopen en een dito vest (waarvan de onderste knoo-
pen nooit vastgemaakt worden), een zuidwester op zijn