Boekgegevens
Titel: De bloemlezing uit Nederlandsche prozaschrijvers
Deel: 6e stuk Van C.E. van Koetsveld tot A.S.C. Wallis / verz. door J. ten Brink
Auteur: Kampen, Nicolaas Godfried van; Veegens, Daniel; Brink, Jan ten
Uitgave: Amsterdam: P.N. van Kampen & zoon, 1882
Auteursrechten: Zie auteursrechten
Citeerinstructie: Bijzondere Collecties van de Universiteit van Amsterdam, UBM: IWO 1091 J 11 (6)
URL: https://schoolmuseum.uba.uva.nl/bookid/LCSM_203664
Bekijk als:      
Scan: Afbeeldinggrootte:
   De bloemlezing uit Nederlandsche prozaschrijvers
Vorige scan Volgende scanScanned page
97
Cora had ik willen knielen !.....Plotseling ging het mij
dwari'elen voor de oogen. Daar was gloed aan den hemel;
in de stniiken ritselde het; stemmen naderden; schoten
knalden door het woud. Straks fonkelden er oogen achter
eiken boom. Het waren de oogen van Hurons. En eene
jonge maagd schiet te voorschijn, heet vervolgd door den
Benard Subtil, dien zwartsten aller ellendigen. Ik spring
op. Mijne buks! mijn tomahawk! Cora — hierheen! Laat
af, Roodhuid ! Hond van een Huron , uwe scalp zal nog
heden mijn mocassin sieren!......Maar Cora liep door.
En toen ik goed keek--och mij ! 't was eene ranke
Phillis uit een modewinkel, die schaterend de omarming
ontvlood van een Leander uit eene manufactuurzaak ! —
Zij renden voort — en verdwenen in het duister van het
verleidelijkste aller laantjes, een waar tempeltje van
Cupido...... AVat mij betrof — ik sloot mijn boek, en
borg het dicht aan mijn hart, mij verwonderend, hoe er
strijdbare jonge mannen konden zijn, die liever krijgertje
speelden met modistjes, dan te gaan vechten onder de
Delawaren , tegen die honden van Hurons.
Wij dwalen een zijpad in. Hier is de koning van het
woud, de patriarch der espeboomen. Zie — we kunnen
hem met ons drieën niet omvademen. Een zijner wortels
vormt eene natuurlijke brug over een greppeltje. Hij is de
baobab van Eotterdam.
En ginds is een ander pleintje, met banken en frissche
grasperken. Dit is het oord, dat Eotterdam, in spijt van
Groningen , zijn Sterrebosch noemt. Zeven paden loopen
hier uit allo nchtingen samen. Sommige verliezen zich in
het donkerst lommer; andere klaren op in het verschiet,
en bieden uitzicht, als door een telescoop van groen , op
een glinsterend plekje rivier. Welk van die zeven wilt ge
dat we kiezen ?
Laat dit het zijn , dat ons voert tot de vriendelijke tent,
naar welke het blij gegalm van kinderstemmen ons den
weg wees.
Onder dit afdak, op den hoek aan de Maaszijde, is ons
tafeltje. Eene koele teug langt ons de schenker. De beenen
over een stoel; den brand in een extra stuiversche ! Hoezee !
Dit is ons lustslot aan den Eijn! 't Is Eolandseck , voor
dorre beurzen en vruchtbare phantasieën ! Zwitserland is
het, voor wie de in Nederland zoo onschatbare gave be-
zitten van bergen te kunnen zien in de wolken !
Een meer, een stroomend meer ligt vóór ons, welks
VI. 7