Boekgegevens
Titel: De bloemlezing uit Nederlandsche prozaschrijvers
Deel: 6e stuk Van C.E. van Koetsveld tot A.S.C. Wallis / verz. door J. ten Brink
Auteur: Kampen, Nicolaas Godfried van; Veegens, Daniel; Brink, Jan ten
Uitgave: Amsterdam: P.N. van Kampen & zoon, 1882
Auteursrechten: Zie auteursrechten
Citeerinstructie: Bijzondere Collecties van de Universiteit van Amsterdam, UBM: IWO 1091 J 11 (6)
URL: https://schoolmuseum.uba.uva.nl/bookid/LCSM_203664
Bekijk als:      
Scan: Afbeeldinggrootte:
   De bloemlezing uit Nederlandsche prozaschrijvers
Vorige scan Volgende scanScanned page
mm
96
waren avondjes ons dierbaar in dit bescheiden heilig-
dom van vrijende harten. De middagzon was ons eene
verschrikking; het dichtste lommer was ons nauwelijks
dicht genoeg. Och! wie heeft de dagen niet beleefd, toen
hij het licht schuwde, en de duisternis liefhad — en zijne
werken (laat ons het inniglijk hopen) toch niet die der
duisternis waren? — Klapt niet, Kimfen! Eik en ijp,
bewaart uw geheimen! Gij lokkende verleiders! gij^elf
waart oorzaak van wat ge zoudt kunnen overbabbelen.
Beschuttend spreiddet ge uwe groene armen uit; torteldui-
ven kirden in uw loover; verteederd door het zoet gezwatel
van uw bladeren , zonk Phillis eindelijk haren Leander aan
liet harte.
Dat schemeruur van grauw en goud is bier ook thans
nog ons uurtje van heil — nu we niet jong meer zijn , en
toch nog ver van oud; nu het bandietje een eerzaam buis-
vader werd, en de ranke Phillis eene knappe jonge moeder.
Noch naar stoeien, noch naar prieeltjes haakt meer onze
zin; wij zijn tevreden wanneer we hier wat mogen ademen
en luieren. Wij praten dan niet veel. Maar als Ansje over
een ton buitelt, of Dirkje op stelten strompelt, dan glim-
lachen we eens, en denken onwillekeurig aan wat was en
wat wezen zal beiden.
Ik noodig u tot eene wandeling door dit mijn woudje,
mijn wildernieje, mijn klein Arcadië.
Aan den Eust-wat ^ het eeuwenheugend stulpje, slaan we
rechtsaf. Haastig gaan we die gele hekken voorbij, en
sluiten de oogen voor die ijzeren lijnen dwars over den weg.
O gruwel der verwoesting ! Eene der schoonste kaden van
Europa, eene verlengde Oosterkade langs de Maas, lieten
achtbare ezels ons door de groezelige hand der nijverheid
ontvreemden!
Twee schreden brengen ons in het lommer — in rust en
koelte. Steedsche zorgen! wij schudden u af, met het
kolengruis aan onze voetzolen.
Hier is het pleintje, met de steenen banken , en de gras-
perken , en de majestueuse knoestige espen , zoo forsch uit
iet dichte struikgewas vooruitspringend.
Een lievelingsplekje van lezers, 't Heugt me , hoe ik hier
als knaap De laatste der Mohikanen verslond. Ik had de
vallende duisternis getart: want het verhaal was machtig
boeiend. Dien Uncas had ik kunnen omhelzen; voor die