Boekgegevens
Titel: De bloemlezing uit Nederlandsche prozaschrijvers
Deel: 6e stuk Van C.E. van Koetsveld tot A.S.C. Wallis / verz. door J. ten Brink
Auteur: Kampen, Nicolaas Godfried van; Veegens, Daniel; Brink, Jan ten
Uitgave: Amsterdam: P.N. van Kampen & zoon, 1882
Auteursrechten: Zie auteursrechten
Citeerinstructie: Bijzondere Collecties van de Universiteit van Amsterdam, UBM: IWO 1091 J 11 (6)
URL: https://schoolmuseum.uba.uva.nl/bookid/LCSM_203664
Bekijk als:      
Scan: Afbeeldinggrootte:
   De bloemlezing uit Nederlandsche prozaschrijvers
Vorige scan Volgende scanScanned page
95
onder haar stuursohen hemel —• zooals ze is, eerlijk en
open, gelijk het eene stad van 't eerlijk Koorden past. Zij
heeft haar eigen schoon. En al zou een kleuren-minnend
Venetiaan daarvoor ongevoelig blijven ; al zou zelfs een
ingebeelde Hagenaar, met zijn bosch en zijn strand, het
nauwelijks een blik waardig keuren — wij, burgers en
kinderen van onze brave stad, gevoelen en bewonderen
het — omdat het ons eigen , ons eénig is.
Geliefde medepoorters — wij scharen ous zamen onder
onze klokketoren , gelijk weleer de Gentenaars onder hunnen
Roland. Vreemdelingen buiten ! — Laat hen lachen ! —
Zoo w ij elkander maar begrijpen !
Er is een plekje in onze buurt, dat boven al onze bui-
tendreven ons aantrekken moet.
Waar de Maas hare fraaiste bocht gaat beschrijven , waar
zij plotseling voor den aanstoomenden reiziger het panorama
ontvouwt van Holland's tweede koopstad , daar verheft zich
aan haren rechteroever eene massa zwaar geboomte. Van
het zonnige der vlakke boorden moede, dringt het oog
begeerig in deze oase van groen, zoo frisch bezoomd door
den stroom waarin zij zich weerkaatst.....Als een nevel-
beeld is zij voorbijgezweefd. Zóó snel echter niet, of de
geblakerde passagier kon een verlangenden blik werpen op
de stoelen en tafeltjes rondom een aardig paviljoen , ver-
scholen tusschen eene groep popels, wier benijdenswaardige
toppen zich wiegelen laten door een koeltje, dat de aan-
raking met lagere sferen versmaadt.
In de landtaal heet dit plekje de Oude Plantage.
Wij kennen het allen. Het was de speelplaats van onze
jeugd. Het is het lustoord van onze rijpere jaren.
Toen we zeer jong waren , kon men eiken zaterdag-mid-
dag ons hier aantreffen Wij waren bandieten ; — ons schel
gefluit weergalmde door het kreupelhout, en deed suffende
kindermeisjes van schrik verstijven. Of we waren ingenieurs^
en stonden tot over de knieën in wat we branding noem-
den, en bouwden voorgebergten van keien, waarop we
spanen fregatten lieten stranden; — lustig gierde de wind
ons langs de roode konen en door de fladderende haren.
Of we waren zoete jongens, en zochten eikels in het gras,
of lazen Fieter Simpel aan den waterkant; — het vinkje
sloeg , de meerle kweelde hoog omhoog.
Toen we iets ouder waren — een jaar of tien , wellicht —