Boekgegevens
Titel: De bloemlezing uit Nederlandsche prozaschrijvers
Deel: 6e stuk Van C.E. van Koetsveld tot A.S.C. Wallis / verz. door J. ten Brink
Auteur: Kampen, Nicolaas Godfried van; Veegens, Daniel; Brink, Jan ten
Uitgave: Amsterdam: P.N. van Kampen & zoon, 1882
Auteursrechten: Zie auteursrechten
Citeerinstructie: Bijzondere Collecties van de Universiteit van Amsterdam, UBM: IWO 1091 J 11 (6)
URL: https://schoolmuseum.uba.uva.nl/bookid/LCSM_203664
Bekijk als:      
Scan: Afbeeldinggrootte:
   De bloemlezing uit Nederlandsche prozaschrijvers
Vorige scan Volgende scanScanned page
94
overmaat van benauwdheid, uwe noordelijk Venetiaansche
dienstmaagden uwe longen vullen met hat uitklopsel van
hare vloerkleeden , of u overstelpen met de stortvloeden
van hare al te waterige zindelijkheid--zeg mij oprecht,
of zekere „vulgaire" aandoeningen u dan geheel vreemd
blijven, en of u niet dunkt dat ge poëtischer te moede
zoudt wezen, als ge in werkelijkheid dwalen mocht door
de stad der Doges ?
Nu ja! — hoor ik u antwoorden : maar de gelijkenis
met Venetië is er toch. Op èilanden en op palen is onze
stad gebouwd;- en dan hebben we onze grachten, en de
bruggen, en--
--de gondels, en de gondeliers , en eene Eialto-brug
over ons Canale Grande , en een St. Marcus-toren, wiens
vergulde spits flonkert in de zonnestralen! Niet waar?
Komaan! zoeken we niet langer eene gelijkenis, die
slechts te vinden zou zijn in uiterst grove trekken. Geen
twee steden van Europa kunnen méér verschillen, dan
Eotterdam en Venetië. Ja, op gevaar af van beschuldigd
te worden van eene zucht tot generaliseeren, zou ik durven
vaststellen, dat het uiterlijk van Venetië tot dat van Bot-
terdam in dezelfde verhouding staat, als het uiterlijk van
een Venetiaanschen gondelier tot dat van een Eotterdam-
schen beurtschipper.
Eén troost blijft ons daarbij: dat uiterlijk niet innerlijk
is, en dat schijn vaak bedriegt. De gondelier, al is hij een
teekenachtiger wezen , en al doet zijn riemslag de schoonste
vrouwen voortglijden langs marmeren paleizen, is daarom
nog geen beter mensch dan de beurtschipper die Edammer
kazen vaart. Ook meen ik in goede reisbeschrijvingen ge-
lezen te hebben , dat het in die prachtige Venetiaansche
palazzi geducht kwalijk rieken kan. Inderdaad, het is met
het schilderachtige van vreemde landen veelal als met Muril-
lo's Spaansche bedeljongens op het doek. De knapen zijn
alleraardigst; die schalksche oogen betooveren u; die guitige
grijns, die paarlwitte tanden, ze zouden u al u-we maravedi
uit den zak goochelen. Maar — in olieverf, als 't u belieft!
In den vleeze zouden de snaakjes u te levendig doen den-
ken aan de ijselijkheden van kammen en wasschen !
Een Venetië, zelfs maar een noordelijk Venetië, is onze
goede stad dan waarlijk niet. Zij maakt ook op valsche eere-
namen geen aanspraak. Zij ligt daar aan hare breede rivier.