Boekgegevens
Titel: Leerboek voor de beginselen der kosmographie
Auteur: Steynis, J.
Uitgave: Rotterdam: W.L. Stoeller, 1866
Auteursrechten: Zie auteursrechten
Citeerinstructie: Bijzondere Collecties van de Universiteit van Amsterdam, UBM: IWO 200 G 9
URL: https://schoolmuseum.uba.uva.nl/bookid/LCSM_203641
Onderwerp: Astronomie: astronomie: algemeen
Trefwoord: Kosmografie, Leermiddelen (vorm)
Bekijk als:      
Scan: Afbeeldinggrootte:
   Leerboek voor de beginselen der kosmographie
Vorige scan Volgende scanScanned page
-82
Oplossing. Dit geschiedt op dezelfde wijze, waarop de Aard-
globe, iu Vraagst, I overeenkomstig met de plaats gesteld is.
Vraagstuk XXVIII. Welke sterren zullen voor eene bepaalde
plaats door het toppunt kunnen gaan?
Oplossing. Stel de globe, volgens Vraagst. XXI, overeenkomstig
de poolshoogte van die plaats. De breedtegraad van die plaats staat
dan aan den algemeenen meridiaan in het toppunt. Draait men nu
de globe om hare as, dan zullen alle sterren, die onder dien breedte-
graad doorgaan , voor die plaats door het toppunt kunnen gaan.
Vraagstuk XXIX. De regte opklimming en declinatie van eenige-
ster te bepalen.
Oplossing. Breng die ster onder den algemeenen meridiaan. Zie
hoeveel graden er op dien meridiaan tusschen de ster en den aequator
liggen, dan heeft men hare declinatie. De graden op den aequator
tusschen het punt t of het lentepuut en den algemeenen meridiaan,
van het Westen naar het Oosten gerekend, geven de regte opklim-
ming van de ster aan.
Vraagstuk XXX. De lengte en breedte van eene ster te bepalen.
Oplossing. Breng de pool van de ekliptika onder den algemeenen
meridiaan. Bevestig daarboven den algemeenen verticaalcirkel. Leg
dien langs de gegevene ster, dan zullen de graden van dien ver-
ticaalcirkel tusschen de ster en dc ekliptika de breedte van de ster
aangeven. Hare lengte wordt gevonden door van het teeken V af
te tellen tot aan het snijpunt van den algemeenen verticaalcirkel en
de ekliptika.
Vraagstuk XXXI. De globe overeenkomstig met het hemelge-
welf te plaatsen voor een gegeven' dag, een gegeven uur en eene
bepaalde plaats.
Oplossing. Stel de globe, volgens Vraagst. XXI, overeenkomstig
de streken van den horizon en de poolshoogte van de plaats. Zoek,
naar Vraagst. XII, de plaats van de Zon in de ekliptika voor den
gegeven'dag. Breng dat punt onder den algemeenen meridiaan, zet
den uurwijzer op 12, dan zal zich op den middag van dien dag
het hemelgewelf aldus vertoonen. Draai nu de globe om de as, tot
dat de uurwijzer het bepaalde uur aanwijst, dan zal de globe over-
eenkomstig de vraag gesteld zijn. Alle sterren, die nu boven den
algemeenen horizon liggen, zijn boven den waren horizon, — die aan
de westzijde bij den horizon zijn op het punt van onder te gaan.