Boekgegevens
Titel: Leerboek voor de beginselen der kosmographie
Auteur: Steynis, J.
Uitgave: Rotterdam: W.L. Stoeller, 1866
Auteursrechten: Zie auteursrechten
Citeerinstructie: Bijzondere Collecties van de Universiteit van Amsterdam, UBM: IWO 200 G 9
URL: https://schoolmuseum.uba.uva.nl/bookid/LCSM_203641
Onderwerp: Astronomie: astronomie: algemeen
Trefwoord: Kosmografie, Leermiddelen (vorm)
Bekijk als:      
Scan: Afbeeldinggrootte:
   Leerboek voor de beginselen der kosmographie
Vorige scan Volgende scanScanned page
-77
lengtegraad, dan is daar de plaats van de Zon voor dien dag.
Breng dat punt onder den algemeenen meridiaan, dan zal op dien
cirkel de boog tusschen dat punt en den aequator de declinatie van
de Zon voor dien dag aangeven. De boog tusschen het punt T of
de lente-snede en den algemeenen meridiaan geeft dan, vau het
Westen naar het Oosten gerekend, hare regte opklimming.
Vraagstuk XTII. Den dag te bepalen, wanneer de Zonsdeclinatie
gegeven is.
Oplossing. Is de declinatie .bijv. noordelijk, dan neme men op
den algemeenen meridiaan een punt, dat even veel graden noordelijk
van den aequator is. Draai de globe tot dat eenig punt van den
zonsweg onder dat punt komt. Zoek op de ekliptika, naar het vorige
vraagstuk, de lengte van dat punt en zie met welken dag op den
algemeenen horizon dat punt overeenkomt. De ekliptika heeft na-
tuurlijk twee punten, die onder dat punt van den algemeenen meri-
diaan kunnen gebragt worden: er zijn dus twee datums, waarop
die declinatie gelijk zal zijn.
Vraagstuk XIV. De plaatsen tusschen de keerkringen te vinden,
voor welke op een' gegeven' dag dc Zon door het toppunt zal gaan.
Oplossing. Bepaal, naar Vraagst. XII de declinatie van de Zon.
iVeera op den algemeenen meridiaan een punt, dat even veel ten
noorden of ten zuiden van den aequator ligt, als de noordelijke of
de zuidelijke declinatie bedraagt. Draai de globe om hare as, dan
zullen alle plaatsen op de Aarde, die onder dat punt van den alge-
meenen meridiaan doorgaan, of alle plaatsen, welker breedte gelijk is
aan de Zonsdeclinatie, op dien dag de Zon door het toppunt zien gaan.
Vraagstuk XV. Voor eene gegevene breedte op eenen bepaalden
dag te bepalen de middaghoogte, dc amplitude, den tijd vau op-
komst en ondergang van de Zon.
Oplossing. Stel, volgens Vraagst. I, de globe overeenkomstig de
gegevene breedte. Zoek, naar Vraagst. XII, de plaats van de Zon
in de ekliptika. Breng dat punt onder den algemeenen meridiaan,
dan zal de meridiaanboog tusschen dat punt en het Zuiden van den
algemeenen horizon de middaghoogte aangeven. (Blijkbaar is deze
gelijk aan het complement van de breedte, vermeerderd of verminderd
met de declinatie, naarmate beiden gelijknamig of ongelijknamig zijn.)
Zet men nu den uurwijzer op 12, en draait men de globe naar
de oostzijde om , tot dat de Zonsplaats aan den algemeenen horizon