Boekgegevens
Titel: Leerboek voor de beginselen der kosmographie
Auteur: Steynis, J.
Uitgave: Rotterdam: W.L. Stoeller, 1866
Auteursrechten: Zie auteursrechten
Citeerinstructie: Bijzondere Collecties van de Universiteit van Amsterdam, UBM: IWO 200 G 9
URL: https://schoolmuseum.uba.uva.nl/bookid/LCSM_203641
Onderwerp: Astronomie: astronomie: algemeen
Trefwoord: Kosmografie, Leermiddelen (vorm)
Bekijk als:      
Scan: Afbeeldinggrootte:
   Leerboek voor de beginselen der kosmographie
Vorige scan Volgende scanScanned page
-76
noemde plaats ligt, dan zal haar snijpunt met den algemeenen horizon
de rigting aanwijzen, in welke de laatste plaats van de eerste ligt (25).
Vraagstuk VIII. De plaatsen aan te wijzen, die met eenige
gegevene plaats gelijke uren van den dag hebben.
Oplossing. Breng de gegevene plaats onder den algemeenen me-
ridiaan, dan zullen alle plaatsen boven de as van den bol, ond^x
den algemeenen meridiaan gelegen, dezelfde uren van den dag hebben.
Vraagstuk IX. De plaatsen aan te wijzen, die met eene gege-
vene plaats gelijke saizoenen hebben.
Oplossing. Breng de gegevene plaats ouder den algemeenen me-
ridiaan en zie welk punt op dien meridiaan juist boven die plaats
ligt. Draait men nu de globe om hare as, dan zullen alle plaatsen
die onder dat punt doorgaan, en dus alle plaatsen, die gelijke breedte
hebben als de gegevene plaats, gelijke saizoenen hebben (38).
Vraagstuk X. De tegenvoeters, tegenwoners en omwoners van
eene gegevene plaats te vinden.
Oplossing. Breng de gegevene plaats onder den algemeenen meri-
diaan. Zie wat hare breedte is, dan zal een punt onder dien meri-
diaan , dat gelijke maar tegengestelde breedte heeft, de tegenwoners
op den bol aanwijzen. Het punt, dat aan de onderzijde van den bol
aan den algemeenen meridiaan op gelijke breedte ligt, wijst de om-
woners aan, en het punt dat aan de onderzijde van den bol onder
den meridiaan op gelijke maar tegengestelde breedte ligt, wijst de
tegenvoeters aan (39).
Vraagstuk XI. Te bepalen hoe lang de boog is van eenen pa-
r.^llelcirkel tusschen twee plaatsen onder eenen zelfden parallelcirkel
gelegen.
Oplossing. Buig den algemeenen verticaalcirkel met eenen kant
langs den parallelcirkel, en zie hoeveel graden op dien verticaal-
cirkel tusschen die plaatsen liggen. Vermenigvuldig het getal met
20, dan zal men, langs dien parallelcirkel gemeten, den afstand van
die plaatsen in uren gaans hebben. (Zie Vraagst. VI).
Vraagstuk XII. Voor eenen bepaalden dag de plaats van de
Zon in de ekliptika, hare lengte, declinatie en regte opklimming
te vinden.
Oplossing. Zoek op den algemeenen horizon den bedoelden dag
en zie met welken graad van den zonsweg deze dag overeenkomt,
dan is dit de lengte van de Zon. Zoek op de globe den bedoelden