Boekgegevens
Titel: Leerboek voor de beginselen der kosmographie
Auteur: Steynis, J.
Uitgave: Rotterdam: W.L. Stoeller, 1866
Auteursrechten: Zie auteursrechten
Citeerinstructie: Bijzondere Collecties van de Universiteit van Amsterdam, UBM: IWO 200 G 9
URL: https://schoolmuseum.uba.uva.nl/bookid/LCSM_203641
Onderwerp: Astronomie: astronomie: algemeen
Trefwoord: Kosmografie, Leermiddelen (vorm)
Bekijk als:      
Scan: Afbeeldinggrootte:
   Leerboek voor de beginselen der kosmographie
Vorige scan Volgende scanScanned page
«8
zijn op PI. IV wedei' even groot, zoodat de parallelcirkels niet in
de juiste verhouding tot elkander staan, doch dit verschil zal ook
tot het leeren kennen van de sterregroepen geen bezwaar opleveren.
Bijna al de sterrebeelden zijn op de platen genoemd. Het is er
echter verre van af, dat men er alle sterren op zou voorgesteld
vinden, die men bij eenen helderen hemel met het ongewapende oog
kan zien. Alleen dib van de eerste, tweede en derde grootte komen
er hoofdzakelijk op voor. Het kenmerkende der sterregroepen is
hierbij alleen in het oog gehouden. — Om op de plateu de rigting
tc bepalen, volgens welke men uit een zekere standplaats de sterre-
groepen ziet, bedenke men dat de meridiaan van het toppunt der
plaats de noordelijke en zuidelijke rigting aangeeft, en dat alzoo het
oostpunt aan het hemelgewelf in den aequator 90° oostelijker of hier
links, en het westpunt in den aequator 90° westelijker en dus hier
regts van den meridiaan van het toppunt ligt. Is dus bijv. op
zekeren tijd voor eenige plaats de ster a in het Hart van Karei II
in het toppunt, dan ligt het oostpunt in den aequator bij het getal
280 eu het westpunt in den aequator bij het getal 100, omdat de
regte opklimming van die ster 190° is. De lijn, die dus van die
ster naar het getal 280 getrokken wordt, wijst het Oosten, en die,
welke naar het getal 100 getrokken wordt, wijst het Westen aan.
Heeft men dus op de kaart de vier hoofdrigtingen bepaald, dau
kan men de tusschenstrcKen van den horizon ten naasten bij ge-
makkelijk bepalen. — Zoo als wij opmerkten, ligt op Plaat III het
Westen regts, het Oosten links en het Noorden boven. Om dus
deze plaat overeenkomstig met het hemelgewelf te houden, moet
men zich met den rug naar het Noorden keeren, de plaat met het
Noorden boven en met den geteekenden kant naar het aangezigt ge-
wend, iets hooger dau de oogen houden, dan zal zij eene afbeel-
ding van het hemelgewelf aangeven. — Midden over Plaat III loopt
de aequator, van 0° tot 360° verdeeld, om de regte opklimming der
sterregroepen in graden aan te wijzen. Onder aau de plaat is de
regte opklimming in uren en minuten aangegeven, of ook kan die
verdeeling tot het bepalen vau den sterretijd dienen. Zoo is het
bijv. naar sterretijd ongeveer 10 uur als Regulus van den Grooten
Leeuw door den meridiaan van eene plaats gaat. Nog lager staan
op de plaat' de namen en de teekens van de verschillende deelen
vau de ekliptika, welke 'de Zou iu een jaar doorloopt. — In de