Boekgegevens
Titel: Leerboek voor de beginselen der kosmographie
Auteur: Steynis, J.
Uitgave: Rotterdam: W.L. Stoeller, 1866
Auteursrechten: Zie auteursrechten
Citeerinstructie: Bijzondere Collecties van de Universiteit van Amsterdam, UBM: IWO 200 G 9
URL: https://schoolmuseum.uba.uva.nl/bookid/LCSM_203641
Onderwerp: Astronomie: astronomie: algemeen
Trefwoord: Kosmografie, Leermiddelen (vorm)
Bekijk als:      
Scan: Afbeeldinggrootte:
   Leerboek voor de beginselen der kosmographie
Vorige scan Volgende scanScanned page
-54
hare baau vau tot vau 22 Jnnij tot 23 September beweegt
zij zich van ^ tot Y , van 23 September tot 22 December van V
tot S5 en van 22 December tot 21 Maart vau 05 tot £3. Voor
plaatsen van gemiddelde noorderbreedte worden deze tijdperken res-
pectievelijk lente, zomer, herfst en winter genoemd.
43. Vorm van de baan der aarde. Wij hebben reeds in (33)
gezien dat de schijnbare beweging vau de Zon in de ekliptika niet
gelijkmatig is. De ouden namen om dit Ie verklaren aan dat de
Aarde niet juist in het middelpunt stond van de baan, die de Zon
om haar beschrijft, zoodat hare gelijkmatige beweging in verschil-
lende punten van haro baan op verschillende afstanden gezien, snel-
ler moet schijnen, als zij digter bij de Aarde is, dan wanneer zij
verder van haar verwijderd is. — Zij noemden den grootsten afstand
>an de Zon het apogaeum en den kleiiisten het perigaettm, en von-
den dat deze iistanden tot elkander in reden stonden als 3670 tof
3431, zoodat als de straal der zonnebaan 7101:2 = 3550 is, de
nitmiddelpuntigheid of excentriciteit vau de Aarde of ougeveer
^ van den straal der zonnebaan bedragen zou.—Het zonnebeeld zou
dan bij dat verschil in afstand eene schijnbare grootte moeten heb-
ben , die omgekeerd evenredig met die afstanden is. In het peri-
gaeum ziet men de middellijn der Zon echter onder eenen hoek van
ongeveer 32'35', en in het apogaeum onder eenen hoek van 31'81',
foodat de verhouding der afstanden 1891 tot 1955 is. Is dan de
middellijn der zonnebaan 3846 : 2 = 1923, dan is de excentriciteit
i air ongeveer van den gemiddelden straal der schijnbare zon-
nebaan. Om deze reden hebben wij in fig. 26 de baan der Aarde
als eene ellips voorgesteld. De afstand van de Zon tot de Aarde
is op 21 Maart en 23 September gelijk en kleiner dan dc helft van
de som van het perigaeum en apogaeum. Is dus de baan van de
Aarde eene ellips, dan kan de Zon niet in het snijpunt van de
beide assen staan, maar ^Ij- van den grooten straal uit dat snijpunt.
Naar die verhouding, die weinig in het oog vallen zou, is echter
de figuur niet geteekcnd; duidelijk echter doet zij zien dat op 22
Junij de afstand van de Zon het grootst en op 22 December het
kleinst is. Hieruit volgt nu in verband met het vroeger gezegde, dat
de beweging van de Aarde om de Zon, al ging zij gelijkmatig voort,
hetgeen echter, zooals wij later zullen zien, niet zoo is, minder tijd
behoeft om van V tot voort te gaan dan om vau tS: tot V te