Boekgegevens
Titel: Leerboek voor de beginselen der kosmographie
Auteur: Steynis, J.
Uitgave: Rotterdam: W.L. Stoeller, 1866
Auteursrechten: Zie auteursrechten
Citeerinstructie: Bijzondere Collecties van de Universiteit van Amsterdam, UBM: IWO 200 G 9
URL: https://schoolmuseum.uba.uva.nl/bookid/LCSM_203641
Onderwerp: Astronomie: astronomie: algemeen
Trefwoord: Kosmografie, Leermiddelen (vorm)
Bekijk als:      
Scan: Afbeeldinggrootte:
   Leerboek voor de beginselen der kosmographie
Vorige scan Volgende scanScanned page
-52
des hemels de pool der ekliptika om zich latei' weder daarvan te
verwijderen. Dit verschijnsel is een gevolg van de zwenking of nuia-
tie van de as der Aarde. — De pool des hemels beschrijft alzoo om
de pool der ekliptika geen zuiveren cirkel. Indien eenig punt in
dien cirkel zich met de bovengenoemde snelheid gelijkmatig in dien
cirkel bewoog, dan zoude de ware pool des hemels van dat punt
in zijne grootste verwijSering ongeveer 4",8 en in zijne kleinste ver-
wijdering é" afgeweken zijn. Beurtelings is de ware pool des hemels
4",8 vóór het genoemde pnnt, 4" nader bij de pool der ekliptika
dan dat punt, 4",8 achter het genoemde punt en 4" verder van
de pool der ekliptika dan dat punt. De pool des hemels beschrijft
dus waarschijnlijk om dat punt eene kleine ellips, en om die te
doorloopen behoeft zij 18è jaar. — Op beide verschijnselen, prae-
cessie en nutatie, die geenen invloed uitoefenen op de breedte der
vaste sterren, maar wel op hare lengte, regte opklimming en decli-
natie komen wij later terug.
42. Beweging van de aab.de om de zon. De verschijnselen, die wij
aan de Zon opmerkten, hebben wij nagegaan en besproken in de
onderstelling dat de Zon, door de ekliptika van het Westen naar
het Oosten gaande, in een jaar om de Aarde bewoog. De om
hare as wentelende kleine Aarde bleef bij die onderstelling de-
zelfde plaats in de ruimte innemen, terwijl de groote Zon om
haar zulk een verbazenden weg moest afleggen. — De genoemde
verschijnselen laten zich echter zeer eenvoudig verklaren, als wij,
hetgeen ook natuurlijk is, aannemen dat de om hare as wentelende
Aarde zich ook in de ruimte voortbeweegt, en in een jaar den weg
om de stilstaande Zon aflegt. Die beweging van de Aarde moet
dan tegengesteld zijn aan de schijnbare beweging van de Zon. De
Aarde beweegt zich dan van het Wasten naar het Oosten om hare
as, en even zoo van het Westen naar het Oosten om de Zon. Stelt
toch, in fig. 26, A de Aarde cn Z de Zon voor, terwijl de kromme
lijn, waarin het middelpunt van A ligt de baan der Aarde is, en
de kromme lijn, die de genoemde insluit, de ekliptika voorstelt, dan
zal, als A bij is, de Zon iu V gezien worden, en is A achter-
terecnvolgens bij de punten Til, f enz, dan zal de Zon uit A gezien
worden in de punten W, n enz., zoodat als A om Z rondbe-
wogen is, Z schijnbaar ai de punten van de ekliptika doorloopen
l^eeft. — Het vlak, waarin zich dus het middelpunt der A.arde beweegt,