Boekgegevens
Titel: Leerboek voor de beginselen der kosmographie
Auteur: Steynis, J.
Uitgave: Rotterdam: W.L. Stoeller, 1866
Auteursrechten: Zie auteursrechten
Citeerinstructie: Bijzondere Collecties van de Universiteit van Amsterdam, UBM: IWO 200 G 9
URL: https://schoolmuseum.uba.uva.nl/bookid/LCSM_203641
Onderwerp: Astronomie: astronomie: algemeen
Trefwoord: Kosmografie, Leermiddelen (vorm)
Bekijk als:      
Scan: Afbeeldinggrootte:
   Leerboek voor de beginselen der kosmographie
Vorige scan Volgende scanScanned page
-49
voor de opgegeveue h.eedten van het zuidelijke halfrond de Zon
niet onder en niet op gaat, dan behoeft men slechts de opschriften
van beide bovenstaande dagkolommen te verwisselen.
Het spreekt van zelf dat wij hier alleen de mathematische bepa-
ling voor het aantal der dagen gevolgd hebben, omdat hier nog
geene andere omstandigheden in aanmerking konden komen, zoodat
wij ook daarom opgegeven hebben hoeveel dagen ongeveer de Zon
boven en onder den waren horizon zal zgn.
Deze insolatie brengt voor plaatsen van gemiddelde breedte eene
wijziging ^Ltx jaargetijden of saizoenen te weeg. De tijd, welken de
Zon behoeft om van den aequator tot den noordelijken keerkring te
komen, heet lente. Dit jaargetijde duurt van 21 Maart tot 22 Junij.
De tijd, dien de Zon noodig heeft om van den noorderkeerkring
naar den aequator terug te keeren, heet zomer. De zomer duurt dus
van 22 Junij tot 23 September. De tijd, welke er verloopt tus-
schen den stand der Zon in den aequator tot den zuiderkeerkring
heet herfst. Dit jaargetijde duurt van 23 September tot 22 Decem-
ber. De tijd, dien de Zon behoeft om van den zuiderkeerkring tot
den aequator terug te keeren, heet winter. Dit jaargetijde duurt
van 22 December tot 21 Maart. — Voor gemiddelde zuiderbreedte
zijn de saizoenen voor die tijdperken: herfst, winter, lente en zomer.
Voor hoogere en lagere breedten heeft die afwisseling van saizoe-
nen niet plaats. Op een en ander komen wij nader terug.
39. Bewoners der aarde, onderscheiden ten opzigte van hünn'b
insolatie. Men onderscheidt de bewoners van de Aarde ten op-
zigte van hunne insolatie naar de schaduw, die zij op den middag
van zich werpen. De bewoners van landen tusschen de keerkringen
hebben twee maal in het jaar op den middag de Zon in het toppunt
(37); zij hebben dan geen schaduw en heeten daarom ashii (van
skia schaduw, met het ontkennende a). Is de Zon echter ten Noor-
den van hun toppunt dan valt de schaduw zuidelijk, en is zij ten
Zuiden van het toppunt, dan valt de schaduw noordelijk, zoodat
zij twee tegengestelde schaduwen kunnen hebben en daarom am-
phiskii heeten (van amphi twee, en «Az« schaduw). In de gematigde
zonen valt op den middag de schaduw altijd naar eene zijde, maar
in beiden tegengesteld, zoodat de bewoners van die streken ten
opzigte van elkander heteroskii (van eteros tegengesteld en skia schan
duw) heeten. Dc bewoners van de koude zonen zien gedurende ee-
4