Boekgegevens
Titel: Leerboek voor de beginselen der kosmographie
Auteur: Steynis, J.
Uitgave: Rotterdam: W.L. Stoeller, 1866
Auteursrechten: Zie auteursrechten
Citeerinstructie: Bijzondere Collecties van de Universiteit van Amsterdam, UBM: IWO 200 G 9
URL: https://schoolmuseum.uba.uva.nl/bookid/LCSM_203641
Onderwerp: Astronomie: astronomie: algemeen
Trefwoord: Kosmografie, Leermiddelen (vorm)
Bekijk als:      
Scan: Afbeeldinggrootte:
   Leerboek voor de beginselen der kosmographie
Vorige scan Volgende scanScanned page
-47
zooak uit het voorgaande voldoende blijkt, afhankelijk van de geo-
graphische breedte en van den stand van de Zon ten opzigte van
den aequator. Bevindt zich de Zon bijv. aan den noorderkeerkring,
dan gaat zij voor plaatsen onder dien keerkring door het toppunt.
Laat nu, in fig. 22, T het toppunt van eene plaats zijn, dan zaj
de dagboog van de Zon, die nu in den keerkring BA' ligt, gelijk
zijn aan den boog bBb'. Nn is het duidelijk dat eene verplaatsing
van het toppunt T eene verplaatsing van den horizon ten gevolge
heeft. Rukt T meer naar de Noordpool, dan zal het noordelijke
deel ONW van den horizon dalen en dus de dagboog bBb' van de
Zon grooter worden, en voor eene plaats onder den noorderpoolcir-
kel gaat zij niet meer onder. Het omgekeerde zal plaats hebben,
als het toppunt T meer de Zuidpool nadert.
Door eene eenvoudige constructie, die de zaak nog meer ophel-
dert, zal men zelfs de lengte der dagbogen voor verschillende plaat-
sen en standen van de Zon kunnen bepalen, als men slechts opmerkt
dat voor eenen bepaalden cirkel de pijl de grootte van den boog
bepaalt, welke boog dan in graden uitgemeten kan worden. Is bijv.
in fig. 25, pp' de as des hemels, AA' de middellijn van den aequa-
tor, AS de zonsdeclinatie, M het middelpunt der Aarde, T het
toppunt van eene plaats, AT hare breedte, HH' de middellijn van
den waren horizon, welke in de rigting van den meridiaan PTA
getrokken is, en SS' de middellijn van den parallelcirkel, dien de
Zon beschrijft, dan is P het snijpunt van de lijnen SS' en HH',
en dus PS de pijl van den dagboog. Beschrijft men nu met OS,
als straal, eenen cirkel, en zet men op de middellijn SS' de pijl
SP uit, dan zal eene lijn, door P regthoekig op SS' getrokken, den
dagboog afsnijden, van welken SP de pijl is. Het zal nu gemak-
kelijk zijn de graden van den dagboog met eenen transporteur
(graadboog) uit te meten, en uit die graden, naar (16), den duur
van den dag in uren «it te drukken.
Tot een overzigt, dat tevens dienen kan ter vergelijking van het
naar bovenstaande constructie gevondene, geven wij hier de lengte
van den längsten dag voor plaatsen van verschillende breedte.