Boekgegevens
Titel: Leerboek voor de beginselen der kosmographie
Auteur: Steynis, J.
Uitgave: Rotterdam: W.L. Stoeller, 1866
Auteursrechten: Zie auteursrechten
Citeerinstructie: Bijzondere Collecties van de Universiteit van Amsterdam, UBM: IWO 200 G 9
URL: https://schoolmuseum.uba.uva.nl/bookid/LCSM_203641
Onderwerp: Astronomie: astronomie: algemeen
Trefwoord: Kosmografie, Leermiddelen (vorm)
Bekijk als:      
Scan: Afbeeldinggrootte:
   Leerboek voor de beginselen der kosmographie
Vorige scan Volgende scanScanned page
46
stelling van de andere zonen, de mtrdelijhe en zuidelijke gematigde
zone genoemd.
38. Lengte van de dagen op verschillende plaatsen in ver-
schillende tijden van het jaar, saizoenen. — Hoe langer de Zon
voor eenige plaats boven den horizon blijft, des te grooter zal de
invloed der insolatie op den plantengroei en op andere zaken kunnen
zijn. Bevindt de Zon zieh in het lentepunt en dus in den aequa-
tor, dan is haar dagboog voor alle plaatsen op de Aarde (zie 30)
een halve cirkel. Dag en nacht zijn dan op de geheele Aarde gelijk
en dus 12 uren lang. Alleen aan de polen wordt de Zon in den
horizon gezien, zoodat zij zich in 24 uren langs den geheelen ho-
rizon beweegt. — Van 21 Maart tot 21 Junij wordt de declinatie
van de Zon noordelijk. Hare amplitude neemt in noordelijke rigting
toe. Voor de plaatsen ten Noorden van de linie worden dus de dag-
bogen grooter, en op 21 Junij, wanneer de noordelijke declinatie
der Zon ongeveer 23°28' bedraagt, zijn zij het grootst en dus de
dagen het langst. — Van 21 Junij tot 23 September nemen in het
noordelijke halfrond de dagen weder af, door dat de Zon weder meer
tot de linie nadert. Op 23 September zijn overal dag en nacht we-
der even lang. — Na dien tijd neemt tot 22 December de declinatie
van de Zon ten Zuiden van de linie toe, zoodat de dagbogen voor
het noordelijke halfrond kleiner en dus de dagen korter worden.
Op 22 December zijn zij het kortst. Na dien tijd keert de Zon
naar de linie terug. De dagbogen en dus de lengte der dagen voor
het noordelijke halfrond nemen weder toe, en op 21 Maart zijn dag
en nacht overal weder even lang. — Ten Zuiden van de linie heeft
juist het tegenovergestelde plaats. Van 21 Maart tot 21 Junij
nemen daar de dagen af, en van 21 Junij tot 22 December nemen
zij in lengte toe, om van 22 December tot 21 Maart weder af te
nemen. — Van 21 Maart tot 23 September is de Zon voor de
Noordpool onophoudelijk boven den horizon, terwijl zij voor de Zuid-
pool onder den horizon blijft, en van 23 September tot 21 Maart
blijft zij voor de Zuidpool boven en voor de Noordpool onder den
horizon. Gedurende een half jaar is dus voor elk der polen de
Zon boven den waren horizon.
Dewijl alzoo de lengte der dagbogen voor verschillende plaatsen
op de Aarde aan verandering onderhevig is, zoo is dit natuurlijk
met de lengte der dagen ook het geval. De lengte der dagen is.