Boekgegevens
Titel: Leerboek voor de beginselen der kosmographie
Auteur: Steynis, J.
Uitgave: Rotterdam: W.L. Stoeller, 1866
Auteursrechten: Zie auteursrechten
Citeerinstructie: Bijzondere Collecties van de Universiteit van Amsterdam, UBM: IWO 200 G 9
URL: https://schoolmuseum.uba.uva.nl/bookid/LCSM_203641
Onderwerp: Astronomie: astronomie: algemeen
Trefwoord: Kosmografie, Leermiddelen (vorm)
Bekijk als:      
Scan: Afbeeldinggrootte:
   Leerboek voor de beginselen der kosmographie
Vorige scan Volgende scanScanned page
3s'
boog tusschen dat punt en den deelinatiecirkel van de ster is het
asceiisionaal verschil, of het verschil tusschen de regte en scheeve
opklimming.
De breedte van eene ster ten opzigte van de ekliptika is het-
zelfde als hare declinatie ten opzigte van den aequator, en de
breedte van eene plaats op de Aarde. De regte opklimming van
eene ster ten opzigte van den aequator is hetzelfde als hare lengte
ten opzigte van de ekliptika, en heeft overeenkomst met de bepa-
ling van de lengte eener plaats op de Aarde.
33. Beweging van de Zon in de ekliptika. De tijd, dien de Zou
noodig heeft om de ekliptika te doorloopen, is een jaar, zoodat zij
bij eenen geregélden voortgang daarin dagelijks ongeveer 1° in lengte
zou toenemen. Deze beweging is echter zoo eenparig niet: want
om van de lentesnede tot de herfstsnede te komen of van 21 Maart
tot 23 September gebruikt zij om de noordelijke helft der ekliptika
te doorloopen 186 dagen, en om de zuidelijke helft van de ekliptika
te doorloopen, of van 23 September tot 21 Maart, gebruikt zij 179
dagen. Haar voortgang in de ekliptika is dus in het zuidelijke deel
sneller dan in het noordelijke deel. — De oorzaak van dit ver-
schijnsel zal nader verklaard worden.
Ten gevolge van dit verschijnsel, maar vooral ook ten gevolge van den
scheeven stand der ekliptika kan de regte opklimming der Zon even-
min gelijkmatig toenemen, zoodat deze omstreeks 22 Junij eu 22
December, wanneer de zonsweg bijna evenwijdig aan den aequator
is, veel sterker zal toenemen dan op andere tijden van het jaar.
Ook de declinatie der Zon is, zoo als reeds in (30) opgemerkt is,
niet gelijkmatig toe- en afnemende. — Om van een en ander een over-
zigt te geven, voegen wij hier achter eene tabel, die de rectascentie,
de lengte en de declinatie van de Zon in den loop van een jaar aan-
geeft. Men zal daaruit zien dat de lengte van de Zon in één dag
van Maart tot November bijna 1° toeneemt, maar dat zij van No-
vember tot Maart ruim 1° in de ekliptika vooruitgaat. — Voorts zal
men kunnen nagaan, dat de toeneming van de rectascentie omstreeks
den tijd der aequinoctiën kleiner is dan omstreeks den tijd der solsti-
tiën, en dat die toeneming het grootst is omstreeks het zuidelijke
solstitium. — Nog zal men daaruit kunnen zien, dat de declinatie
het sterkst toeneemt omstreeks de aequinoctiën, en het minst om-
streeks den tijd der solstitiën.